De genealogische geschiedenis van de familie
Dorgelo

Door: Alex. Dorgelo † Deventer; Alex. Dorgelo, Bussum; Dr. Jan Derk Dorgelo,
Oegstgeest
II. VAN MIDDELEEUWEN TOT KERKHERVORMING
Tak te Dalfsen, Borne en Zwollle
Tak via Raalte naar Demdemsvaart
Tak via Raalte naar Haaksbergen
Inleiding
|
De familienaam
Dorgelo komt in Nederland betrekkelijk weinig voor. De Commissie voor Naamkunde
van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam heeft een uitvoerig
en zeer tijdrovend onderzoek ingesteld naar de aantallen dragers van alle in
ons land bestaande familienamen, gebaseerd op de gegevens van de Volkstelling
1947, en deze aantallen per gemeente gepubliceerd in het “Nederlands
repertorium van familienamen”. Tot heden (juli 1972) zijn verschenen de delen
over Friesland, Groningen, Drenthe, Gelderland, Utrecht, de gemeente Amsterdam
en de provincie Zeeland.
In dit gedeelte van
Nederland woonden in 1947 in totaal 270 naamdragers Dorgelo. In dit aantal zijn
begrepen twee namen, die zeer waarschijnlijk foutief zijn gespeld bij de
Volkstelling of eerder, n.l. te Zwolle eenmaal Dorgalo en eenmaal Dorgerlo. De
in vier Groninger gemeenten en in Warnsveld voorkomende familienaam Dorgeloos
(15 maal) is m.i. mogelijk een oudere verbastering, doch ik heb deze als een
afzonderlijke familienaam beschouwd en niet meegeteld. Een directe relatie met
de familienaam Dorgelo is niet vastgesteld.
Uit de aantallen
Dorgelo’s per provincie blijkt duidelijk dat Overijssel met 168 naamdragers het
belangrijkste concentratiegebied is. Hierop volgen Drenthe en Gelderland met
resp. 42 en 20 naamdragers. Binnen Overijssel zijn als concentratiegemeenten te
noemen: Kampen (45) en Hardenberg (37); in Drenthe: Schoonebeek (21
naamdragers).
Het behoeft dan ook
geen verbazing te wekken dat wijlen
Alexander Dorgelo voor de Tweede Wereldoorlog in Overijssel de genealogische
samenhang tussen de Dorgelo’s ging onderzoeken. Vele gegevens heeft hij
verzameld, o.a. uit de doop-, trouw- en dodenboeken van de Nederlands Hervormde
gemeenten, berustend in het Rijksarchief voor Overijssel te Zwolle, uit de
burgelijke stand van een aantal gemeenten en uit de literatuur. Ook heeft hij
enige bijzonderheden gevonden in de archieven te Bremen en elders in het
noordwesten van Nedersaksen, nadat hij had vastgesteld dat de familienaam in
de 17de eeuw uit Bremen was overgekomen.
Sinds 1952 stond
hij in contact met zijn naamgenoot Alexander Dorgelo, architect, thans te
Bussum. Deze laatste heeft op grond van bovengenoemde gegevens en die van
wijlen zijn vader, ds.Herman, en oom, prof. dr. Hendrik Dorgelo 20 jaar
systematisch verder gewerkt en tenslotte het geslachtsregister en de stamboom
samengesteld, die als bijlagen hierbij zijn opgenomen.
Toen ik enkele
jaren voor het overlijden van mijn oom te Deventer (1963) alle in zijn bezit
zijnde dokumentatiemateriaal, korrespondentie en verdere gegevens verkreeg,
besloten Alexander Dorgelo en schrijver dezes te trachten een genealogische
geschiedenis van de familie Dorgelo op schrift te stellen. Hieraan
voorafgaande zijn vele bezoeken aan Duitse archieven nodig geweest om zoveel
mogelijk bijzonderheden over onze afkomst in Duitsland te verzamelen.
In de volgende
hoofdstukken is eerst gepoogd de betekenis van de familienaam Dorgelo te
verklaren. Aangezien de oudste geschreven bronnen de Duitse Dorgelo’s
betreffen, is in hoofdstuk II aandacht besteed aan deze landadelijke familie
Von Dorgelo vanaf de 14e eeuw tot aan de kerkhervorming. Deze had een splitsing
tot gevolg in een adellijke, Rooms-Katholiek gebleven tak en een burgelijke,
Evangelische tak. Beide takken zijn in afzonderlijke hoofdstukken beschreven.
Hoofdstuk 5 ten
slotte bevat een uitvoerige uiteenzetting over de genealogie van de Dorgelo’s
in Nederland. Hierbij zijn zeven takken te onderscheiden op basis van
(vroegere) concentratiepunten in Overijssel.
Gaarne wil ik op
deze plaats alle naamgenoten en aanverwanten danken, die door hun
belangstelling en financiële bijdragen het drukken en uitgeven van deze
publicatie mogelijk hebben gemaakt. In het bijzonder komt een woord van dank
toe aan Alexander Dorgelo te Gouda, die zo bereidwillig was de druk van dit geschrift
in zijn drukkerij te verzorgen. Zodoende heeft u, lezer, een familieproduct
voor u liggen, waaraan vele naamgenoten hun steentje hebben bijgedragen.
AIs
men de oorsprong en de betekenis van de familienaam Dorgelo tracht te verklaren
zal een muziekminnaar wellicht de verleiding niet kunnen weerstaan te denken
aan een orgel, voorafgegaan door een d en gevolgd door een o. Hoewel dit een
eenvoudige methode is om de spelling duidelijk te maken aan de velen die met
onze naam niet vertrouwd zijn, getuigt een dergelijke “verklaring” niet van
enige wetenschappelijke diepgang.
Het
is verantwoord een verband te leggen met de vele, vooral Oost-Nederlandse en
Nederduitse plaatsnamen eindigend op de uitgang -lo, -loo, of -loh. Deze
uitgang kan volgens de plaatsnaamkunde of toponymie zowel bos als een open
plaats in het bos betekenen.
Slicher
van Bath[1] heeft
uiteengezet, dat de plaatsnamen op -lo zijn ontstaan in de oudste
vestigingsperioden, te dateren voor het jaar 600. Dorpen en buurtschappen met
deze namen liggen in de oude nederzettingsgebieden met vrij veel archeologische
vondsten. Deze streken bestaan uit hogere, diluviale zandgronden, doorsneden
door riviertjes en beken, zoals bet geval is in Drenthe, Twente, de Graafschap
Zutphen en eveneens in Niedersachsen en Westfalen in de tegenwoordige Duitse
Bondsrepubliek.
Afhankelijk
van de geografische omstandigheden vestigden de eerste bewoners zich in
afzonderlijk liggende boerderijen of in dorpen. Het bouwland lag dichtbij de
huizen op de hogere zandgronden, op de kampen of essen, terwijl het grasland
van nature langs de riviertjes voorkwam. Historisch-etnografisch zijn de -lo
namen van Saksische oorsprong.
Zoals
in het volgende zal worden aangetoond, is de familienaam Dorgelo afgeleid van
de plaatsnaam met de tegenwoordige spelling Dörrieloh, vroeger ook gespeld als Dorgeloe, Doringelo
en Dorrieloh. Een nadere beschrijving[2] van
dit dorp is hier zeker op zijn plaats.
Het
dorp Dörrieloh ligt 5 km ten zuidwesten van bet kerkdorp Varrel in de
Grafschaft Diepholz, die deel uitmaakt van het land Niedersachsen in de Bondsrepubliek
Duitsland. Het dorp ligt niet ver van de Bundesstrasse 32 van Sulingen naar
Diepholz. Bij Wehrbleck dient men deze weg te verlaten in de richting Varrel. Er
is een station Dörrieloh aan de spoorlijn Bassum-Herford, 32 km van Bassum
verwijderd.
Dörrieloh
behoort tot de gelijknamige Landgemeinde, waarin ook de dorpen Brümmerloh en
Renzel liggen. De gemeente heeft een oppervlakte van 2.211 ha. Het dorp Dörrieloh
heeft een lagere school en telde in 1896 een aantal van 56 woningen met 327
inwoners. Het inwonertal van de gemeente vertoonde in de laatste 150 jaren
slechts een geringe groei:
1821: 423
1871: 531
1928: 588
1941: 512
1960: 570
Vroeger
was bet dorp een windmolen rijk en twee grote boerderijen, waarvan de
leenmannen destijds zitting hadden in de landdag van het graafschap (“landtagsfähige
Güter”). De geschiedenis van bet geslacht Dorgelo vangt aan op deze
boerderijen, zodat wij hierop nader zullen terugkomen.
Volgens
de Duitse bronnen[3]
was Dörrieloh de zetel van het adellijke geslacht, dat zijn naam ontleende
aan de plaatsnaam, en waarvan sinds 1381 vele familieleden in de archivalia
voorkomen. De plaatsnaam zou zijn af te leiden van de voornaam Dörrie en
derhalve betekenen: het houtgewas van Dörrie. De familienaam komt thans
veelvuldig voor, gespeld Dörgeloh, in het graafschap Hoya (ten zuiden van
Bremen). De naam in de spelling Dorgelo is niet alleen in Nederland bekend,
maar ook in het graafschap Vechta ten zuiden van Oldenburg. De adellijke
familienaam Von Dorgelo, ook voorkomend in afwijkende spelling, heeft zich
sinds de late Middeleeuwen verbreid vanuit het dorp Dörrieloh over geheel
Niedersachsen en Westfalen en is o.a. aangetroffen in het vroegere vorstendom
Osnabrück, in het land Oldenburg, in Oostfriesland en in Munsterland. In het
volgende zal blijken, dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid
vaststaat, dat deze families tot één genealogisch geslacht behoren[4].

Figuur
1: Zegels van de bisschop van Minden,
behorend bij de leenbrieven, waarin deze de hoeve te Dörrieloh in leen geeft
aan Otto von Dorringelo (1474), opnieuw aan Otto (1510), Johann von Dorgelo
(1536) en Johann von Brambardt (1578).

Figuur
2: Leenbrief uit 1474, waarin
Heinrich, bisschop van Minden, Otto von Dorringelo beleent met de Sattelhof
II. VAN MIDDELEEUWEN TOT KERKHERVORMING
|
Voor
zover bekend, is Dethard von Doringelo (1381) het eerste lid uit het in het
vorige hoofdstuk bedoelde adellijke geslacht, dat in de schriftelijke bronnen
wordt genoemd. In 1391 was Otto von Doringelo drost van Vörden. Mogelijk was
hij een broer van Dothard. In 1393 wordt Otto genoemd als drost, in dienst van
de regering van Münsterland, van Cloppenburg en Friesoyte[5].
In deze functie bouwde hij op een eilandje in de Lethe; de grensrivier tussen
MünsterIand en OIdenburg, een burcht, die tot omstreeks 1600 door Von
Dorgelo’s werd bewoond.
Vanuit
de tak Von DorgoIo zu Lethe zijn verscheidene leden door huwelijk bewoner
en/of eigenaar van andere goederon geworden, zoals in het ambt Fürstenau,
onderdeel van het vroegere vorstendom Osnabrück, het slot Loxten bij Northrup,
het goed Twistel en het goed Schlepperiburg[6].
Van
1415 - 1421 was Otto drost van Vechta, thans gelegen in het zuidelijk deel van
het Oldenburgse land: Hij huwde met Richarda von Pennethe. Uit dit huwelijk is
een zoon Johann von Dorgelo bekend (1415 en 1446).
Een
drost of ambachtsheer (Amtmann) was een ambtenaar, .die de Iandsheer vertegenwoordigde
in een bepaald gedeelte van diens gebied. Hij was voornamelijk verantwoordelijk
voor de inning van de aan de Iandsheer verschuldigde belastingen en
herediensten en voor de rechtspraak in het ambt. De drost was voorzitter van
het ambtsgerecht en trad als zodanig op als openbare aanklager en voltrekker
van bet vonnis.
In
1461 is wederom een Otto von Dorgelo drost van Cloppenburg en eigenaar
van Lethe, waarschijnlijk een zoon van Johan. Otto was tevens leenman van de
beide in het vorlge hoofdstuk genoemde “Iandtagsfähige” boerderijen in het dorp
Dörrieloh, die thans nog bestaan als de boerderijen no.
19 en 20. Hiervan was ten minste één boerderij een leen van de bisschop van
Minden, zoals blijkt uit de in het huisarchief van de boerderij no. 20 door mij
aangetroffen originele Ieenbrief van 1474.
Heinrich,
bisschop van Minden, beleent in deze brief Otto von Dorringelo met de Sattelhof
te Dorringelo en met alles, wat bij de boerderij behoort en wat daarvan
afhankelijk is. Het is een erfelijke manleen. Hij zal de hof met zijn toebehoren
een genadig heer zijn.
De
tekst luidt (vertaald):
In
de genade Gods, Wij Hinrich, Bisschop te Minden, doen kond, maken bekend en
getuigen openbaar in deze brief voor ons en onze opvolgers dat wij met hand en
met mond, die de Hoogste ons geschonken heeft, belenen in de kracht van deze
brief Otto von Dorringo met de Sattelhof te Dorringelo en alles wat tot de hof
behoort, zoals door ons beleend wordt tot in de rechte Iijn erfelijk manleen en
wij schenken en willen dat hij voor de hof met zijn horigheden een genadig heer
zal zijn, steeds wanneer en waar dat nodig is en door ons gevraagd wordt, en
hebben tot verdere bekendheid hiervan aan deze brief ons wettelijke zegeI doen
hangen. Gegeven na Gods geboorte duizend vierhonderd en vierenzeventigste jaar
op maandagvoormiddag 25 april (de dag is onduideIlik J. D. D.)
Een
leenman of vazal betaalde geen pacht voor het leengoed. Wel moest hij de
leenheer trouw zweren en was hij verplicht tot krijgsdienst in elke oorlog. Aanvankelijk
verviel het leen aan de leenheer, wanneer de leenman stierf. Later was een leen
erfelijk in de mannelijke lijn en werd het meer en meer eigendom van de
leenman. Deze beheerde het leengoed dikwijls niet zelf, maar droeg het beheer
op aan een ander, de meier, die hem een doel van de opbrengst moest levoren als
pacht.
Onder
een Sattelhof dient men te verstaan de in vele dorpen in de Middeleeuwen
voorkomende bevoorrechte boerderij, die het karakter had van een adellijk of
vrij goed. Het verschil ten opzichte van de gewone boerderijen was van
publiekrechtelijke aard. Zo was b.v. een gewone boerderij belastingplichtig, de
Sattelhof niet.
De
Duitse benaming Sattelhof zou zijn te vorklaren uit de omstandigheid, dat de
hof vroeger een gezadeld paard met ruiter ter beschikking moest stellen aan de
Iandsheer. De loonman op een Sattelhof was ook verplicht voor de Iandsheer de
pacht te innen van de horige boeren, die de bij de Sattolhof behorende
boerderijen bewoonden.
Dat
de loonman Otto von Dorringelo goede relaties onderhield met de bisschop, is af
te leiden uit hot feit, dat een zekere Dethardus Doringlo in 1475/76 secretaris
was van genoemde bisschop[7].
Tegen
het einde van de 15e eeuw was opnieuw een Doringelo, Herbert von
Doringelo, zoon van Otto, drost te Cloppenburg. Herhaaldelijk komt zijn
naam voor in het archief van Oldonburg in stukken van 1494 en 1497.
In
1510 werd zijn zoon Otto von Doringolo leenman van de Sattelhof te
Dörrieloh, zoals een tweede originele Ieenbrief aangeeft, opgesteld door
Franciscus, administrateur van het aartsbisdom Minden, hertog van Brunswijk en
Lüneburg.
Door
zun huwelijk met Elske von Elmendorpe uit Hammeland verkreeg Otto in 1511 het
Iandgoed Brettberg in zijn bezit. Dit goed Iigt op korte afstand ten zuiden van
hot stadje Lohne, dat wederom ten zuiden van Vechta is gelegen. Tot 1776 zouden
de Von Dorgelo’s op Brettberg blijven zetelen. Daarom zullen wij nu enige
aandacht aan dit landgoed en zijn bewoners besteden[8].
Het
goed Brettberg is ontstaan uit twee boerderijen, Brettberg en Steengraven. De
burcht Brettberg is waarschijnlijk omstreeks 1400 gebouwd door Hermann von
Elmendorpe. Aan hem was de bezitter van de boerderij Götteke von Brettberge
horig. Zijn zoon Wille von Elmendorpe was in 1466 nog burchtman van Vechta.
Wille’s
zoon Hermann had zes zonen. De zoon, die ook Wille heette, verkreeg na de dood
van zijn ouders in 1479 de burcht Brettberg. Wille overleed reeds in 1490. Zijn
vrouw Adelheid stierf in 1528. Zij had drie dochters.
Haar
dochter Elske huwde met Otto von Doringelo, zoon van de drost van Cloppenburg
en bezitter van het goed Lethe. Doordat zijn zwager Dietrich von Dinklage.
gehuwd met de oudste dochter Von Elmendorpe, in 1511 kinderloos overleed,
verwierf Otto van Doringelo Brettberg. Door Otto en vooral door zijn zoon
Johann von Dorgelo zijn nog een vrij groot aantal horige boerderijen verkregen.
Johann
trad tegen de boeren-lijfeigenen hard en streng op overeenkomstig de toenmalige
gewoonten. Hij liet de horige boer Cord Stegemann, die zich tegen hem verzet
had, zo lang in het hondehok opsluiten, tot deze beterschap had beloofd. Johann
was gehuwd met Anna von Weddesche van het goed Bomhof bij Langförden, Kreis
Vechta. In 1531 verkocht Johann hot landgoed Bomhof aan zijn zwager Andreas von
Quernheim voor 1.000 goudguldens. Toen Von Quernheim het geld niet contant kon
betalen, droeg hij aan zijn zwager Johann de tienden over te Aschen en Ossenbeck
in het graafschap Diespholz.
Johann
had twee broers, n.l. Wulfert en Otto. Eerstgenoemde kwam door huwelijk in het
bezit van het goed Welpe en was de stamvader van de tak Von Dorgelo zu Welpe.
Na hem volgden nog vier generaties, w.o. een Diederich (1554). Deze tak stierf
in 1666 uit met een Wulfert, van wien enkele kinderen jong waren gestorven en
een zoon Johann Wolfgang een kerkelijke functie had te Osnabrück. In 1621 was
Wulferts broer Johann Otto in dezelfde stad domheer 9).
Na
het overlijden van zijn vader Otto von Dorgelo zu Brettberg volgde Johann hem
op als leenman van de Sattelhof te Dörrieloh met aanhorigheden. Dit blijkt uit
de originele leenbrief van 1536, opgesteld door Franciscus, conservator te
Münster en Osnabrück en administrateur van Minden, welke brief eveneens
aanwezig is in het huisarchief van eerdergenoemde boerderij te Dörrieloh.
In
1542 sloot Johann met Korff genaamd Schmissing von Tatenhausen een echtverbintenis
voor zijn minderjarige zoon Otto von Dorgelo en Elske Korff. Op 8 oktober
1542 maakte hij zijn testament en stierf spoedig hierna. In Lohne word hij
plechtig begraven. Johann liet na zijn zoon Otto en een dochter Elske, die ongehuwd
bleef. Bovendien had hij twee onechte kinderen; in zijn testament verzocht hij
zijn vrouw deze kinderen te verzorgen.
Na
de dood van Johann beheerde zijn weduwe Anna von Weddesche het landgoed
Brettberg voor haar minderjarige kinderen. In 1543 schonk bisschop Franz
van
Münster haar “aus besonderen gnadigen Gunsten” de kapel met omgeving te Südlohne,
genaamd Kluse. Op dit perceel grond stond een kapel, gewiid aan de heilige
Anna. de kapel was beroemd wegens een wonderbron, waarvan het water sedert de
Middeleeuwen wonderbaarlijke ooggenezingen zou hebben veroorzaakt.
In
1551 aanvaardde haar zoon Otto het beheer over het landgoed. zijn moeder betrok
met haar dochter de burchtmanshof in Vechta.
Otto
huwde in hetzelfde jaar met zijn verloofde Elske von Korff-Schmissing op het
landgoed Tatenhausen. In het begin leefde hij op een verkwistende wijze. Hij
had 14 dienstboden. Dit kon hij niet volhouden. Daarom hield hij nauwkeurig een
boekhouding bij van ontvangsten en uitgaven. Otto stierf in 1584. 20 wagens
volgden hem naar zijn laatste rustplaats. In de kerk van Lohne kreeg hij een
grafsteen. Volgens sommige bronnen, aangehaald in het familieboek van de
familie Gollhaus, de huidige bewoners van Brettberg, verkocht Otto von Dorgelo
in 1580 het stamgoed, de “Engelken Sadelhof” to Dörrieloh, aan Christoph von
Brambardt. Dit moet echter eerder zijn gebeurd, aangezien zich in meergenoemd
huisarchief to Dörrieloh een originele leenbrief van 1578 bevindt, waarin een
zekere Hermann namens de bisschop van Minden bevestigt, dat wijlen Johann von
Dorgelo een hof met toebehoren te Dörrieloh in loon had, welk goed aan wijlen
Christoph von Brambardt was gekomen. Na diens overlijden viel het leen terug
aan de bisschop, die het in deze brief weer als recht manleen aan zijn zoon
Johann von Brambardt in leen gaf.
In
de vroegere, afgebrande kerk te Varrel beyond zich een grafsteen, die melding
maakte van het overlijden van Christoffer Brambardt op zondag 12 januari 1578
om 12 uur ‘s middags. Onze conclusie moet derhalve wel zijn, dat Otto von
Dorgelo het stamgoed to Dörrieloh in of voor 1578 verkocht, waarschijnlijk wegens
geldgebrek.
Op
de verdere geschiedenis betreffende de Rooms Katholiek gebleven tak Von Dorgelo
komen wij nader terug. de Evangelische tak, waarvan de Nederlandse Dorgelo’s
afstammen, vindt zijn oorsprong zeer waarschijnlijk eveneens op het stamgoed te
Dörrieloh. Men kan aannemen, dat dit goed tot aan de verkoop aan de familie Von
Brambardt bewoond werd door familieleden van de leenmannen Von Dorgelo,
b.v. door Diederich, die in 1554 wordt gonoemd als neef van de laatste
leenman Otto[9].
Het
graafschap Diepholz, waarin Dörrieloh is gelegen, werd reeds in 1528
Protestant. Na de verkoop van het stamgoed vóór 1578 moest deze Evangelische
familie Dorgelo een goed heenkomen zoeken. Dit vond men op een boerderij aan de
Weserdijk in de buurtschap Dreye, gemeente Kirchweyhe, ten zuiden van Bremen.
Het
contact vanuit Dörrieloh met Dreye is zeer waarschijnlijk ontstaan door bemiddeling
van de familie Von Weyhe, die reeds vóór 1575 in het bezit was van de tweede
Sattelhof (thans huisnummer 19) te Dörrieloh.
In
1575 vaardigde Graaf Otto van Hoya ten gunste van de familie Von Weyhe een
vrijheidsbrief uit betreffende dit goed[10].
Het stamgoed van dit geslacht, het eerst genoemd in 1189, lag in de
tegenwoordige gemeente Kirchweyhe. Het Iigt voor de hand te veronderstellen,
dat de voor het eerst in 1585 genoemde meier Johann Dörgelohe te Dreye
als Protestant afkomstig was van de Sattelhof no. 20 te Dörrieloh, thans
bewoond door de landbouwersfamilie Göteker. Ook de heer dr. Fr. Prüser,
oud-directeur van het Staatsarchief te Bremen, is van mening, dat het
verantwoord is op bovenstaande wijze een genealogisch verband te leggen tussen
de Rooms Katholieke tak der Von Dorgelo’s en de Evangelische tak.
Na
de dood van Otto von Dorgelo in 1584 behield zijn weduwe het goed Brett-berg,
tot haar zoon Rotger het in 1599 ging beheren. Zij betrok een woonhuis
(Witwensitz) in Vechta en stierf in 1605, waarna zij werd begraven naast haar
man op het kerkhof van Lohne onder dezelfde grafsteen onder de linde.
Zij
had zeven zoons en drie dochters[11],
waarvan drie zoons en één dochter jong waren gestorven. De oudste zoon
Johann studeerde theologie en verkreeg een domheerprebende, d.i. een jaargeld
uit het gemeenschappelijk kerkelijk vermogen, te ösnabruck. In 1595 deed hij
afstand van zijn erfdeel ten gunste van zijn jongste broer Rötger, huwde in
1595 met Mette Nagel von Königsbrück en stierf op 1 mei 1597. Zijn jonge weduwe
liet voor hem een stenen gedenkteken maken aan de kerk te Vechta, dat aldaar
nog steeds aanwezig is.
De
tweede zoon Otto reisde in 1583 te paard naar Rome om zijn studie te voltooien.
In 1584 werd hij achtereenvolgens kanunnik bij de St. Johannesparochie in
Osnabrück en te Wildeshausen. Later was hij domproost te Osnabrück en Münster.
Hij had een hoog inkomen, dat hij besteedde aan liefdadigheid, zijn familie en
de kerk van Lohne. In 1624 liet hij in de dom van Münster een epitaaf aanbrengen
voor 550 Rijkstaler. Kort daarop stierf hij in 1625.
Dit
prachtig gebeeldhouwde gedenkteken bevindt zich thans in het westelijk
dwarsschip van de St. Paulusdom te Münster aan de eerste rechter pilaar van het
middenschip. Het is in de laatste Wereldoorlog aan de linkerzijde enigszins
beschadigd. Vroeger werd aangenomen, dat het epitaaf vervaardigd was door de
beeldhouwer Gerhard Gröninger. Later is gebleken, dat Melichior Kribbe te
Münster de vervaardiger was.
De
derde zoon Heinrich, eveneens wetenschappelijk gevormd, werd in 1579 kannunik
bij de Stephanus- en Wilhadsparochie te Bremen.
De
jongste en vierde zoon Rötger, die het goed Brettberg in 1599 in bezit
kreeg, was in 1598 gehuwd met Catharina von Mönnich van het goed Eikhof. Zij
bracht 3.000 Taler en een uitzet mee als bruidsschat. In 1599 vermaakte Andreas
von Quernheim hem het goed Bomhof.
Rötger
stierf in 1613. Zijn weduwe liet voor hem een monument oprichten in het koor
van de Lohner kerk. Zij stierf in 1642. Reeds in 1627 had zij de landgoederen
overgedragen aan haar zoon Johann. Deze woonde op Brettberg met zijn
broer Heinrich en zuster Dorothea en wijdde zich aan de landhuishoudkunde. Tot
het goed Brettberg behoorden toentertijd 35 horige boerderijen en acht tienden,
tot het goed Bomhof 23 horigen en drie tienden. Bovendien bezat Johann de
burchtmanshof en de windmolen te Vechta en een bos bij Norddöllen. Uit de
tienden en van de horige boerderijen had hij een jaarlijks inkomen van 144 malter
roggo (1 malter = 12 schepel, 1 schepel weegt ± 18 kg), 7 malter gerst,
115 malter haver, 24 varkens, 7 schapen, 7 biggen, 91 ganzen, 133 kippen, 350
pond boter, 1920 eieren, 5 voer brandhout en bovendien nog een behoorlijk
bedrag in contanten als pacht.
De
huishouding werd gevoerd door zes mannelijke en zeven vrouwelijke bedienden en
een huisleraar. Aan levensmiddelen voor de vasten gebruikte men jaarlijks 200
kg stokvis, ½ ton haring, ¼ ton bokking, kaas etc. Alles werd van Bremen
aangevoerd.
Aan
de armen van Lohne gaf Johann jaarlijks op Goede Vrijdag 24 haringen, 6
Rijkstaler, met Pinksteren 6 Rijkstaler, met Kerstmis 6 Rijkstaler en 24
worsten en bovendien elke vrijdag één brood.
Men
zou de dure huishouding uit de grote inkomsten gemakkelijk kunnen betalen,
wanneer de Dertigjarige Oorlog niet was gekomen met inkwartiering van Duitse en
Zweedse troepen (de laatsten hadden op Brettberg een lazaret ingericht). Dit
ging met veel kosten gepaard. Dikwijls kon men de pacht en tienden niet in
ontvangst nemen, terwijl het land niet bezaaid of de oogst vernield werd.
Daarom
moest Johann het goed Bomhof, de windmolen met woning te Vechta, 10 horige
boerderijen, een bos, een stuk land en een weiland verkopen. Hiervoor ontving
hij 8.000 Rijkstaler, maar hij hield nog een gelijk bedrag aan schulden over.
In
1640 huwde hij iemand ult de burgerlijke stand, een dochter van de burgemeester
Johann von Dissen. Zij stierf in 1676, haar man op 25 november van hetzelfde
jaar. Zij hadden drie kinderen: 1. Friederich, de eerate erfgenaam; 2.
Johann Rötger; zijn erfenis werd met 4.700 Rijkstaler afgekocht. Omstreeks 1678
werd hij door huwelijk heer op het goed Höven bij Wardenburg (over hem gaan in
Duitsland bekende riddersagen); 3. Sabina, die 2.500 Rijkataler en 1/3 van het
zilver als bruidsschat ontving en huwde met Borchard von Wrede op Sorpe.
Friederich huwde in 1668 de dochter van de zuster van zijn vader, Maria
Catharina van Voss zu Enniger. Op 1 mei 1671 droegen zijn ouders de goederen
aan hem over, maar bleven op Brettberg wonen. Hij nam 9.200 Rijkstaler aan
schulden over, terwijl zijn vrouw 4.950 Rijkstaler als bruidsschat meebracht.
In
1680 liet hij de in de oorlog verwoeste kapel (de Kluse) herstellen. De
burchtmanshof in Vechta, die in 1684 bij de grote brand was afgebrand, bouwde
hij in 1689, weer op. In 1698 liet hij in Münster een nieuwe kansel maken voor
165 Rijkstaler, die hij schonk aan de kloosterkerk in Vechta.
Op
5 mei 1699 stierf zijn vrouw. Op 10 april 1700 werd hem door zijn kokkin
Margret Knost aen dochter geboren. Op 1 juli trouwde hij haar in alle stilte in
Stainfeld (ten zuiden van Lohne). Zij stierf in 1732. Zijn dochter bracht hij
als 9-jarig kind naar een klooster in Osnabruck, waar zij non werd.
Mogelijk
zijn uit dit tweede huwelijk van Friederich een of meer zoons geboren, die in
Steinfeld zijn blijven wonen en de voorouders waren van de daar tegenwoordig
nog wonende Dorgelo’s (zonder von), zoals de schoenenwinkelier Dorgelo.
Omdat
Friederich von Dorgelo niet goed overweg kon met zijn schoondochter en haar
moeder, droeg hij zijn bezittingen op 1 mai 1706 over aan zijn zoon Franz
Anton van Dorgelo en betrok de burchtmanswoning in Vechta.
Op
de 2de juni 1718 maakte Friederich zijn testament. Hij stierf op 18 april 1720
en werd te Lohne plechtig bijgezet. In de R.K. kerk te Lohne bevinden zich
thans nog bij de ingang twee groto grafstenen. De ene steen heeft een kruis, de
wapans van Dorgelo en Ennigor en de jaren van geboorte, huwelijk en overlijden
van Friederich en zijn eerste vrouw. De tweede steen draagt de afbeeldingen van
het echtpaar met vier wapens, w.o. Dorgelo.
Hij
had uit zijn eerste huwelijk tien kinderen, waarvan vier op jeugdige leeftijd
stierven.
Zijn
jongste zoon Franz Anton von Dorgelo huwde in 1706 met Margrethe Esther von
Ledobur, waarna zijn vader de goederen aan hem overdroeg met 15.124 Rijkstalar
aan schulden. In 1726 stierf zijn vrouw. Op 12 juni 1731 huwde hij met zijn
nicht Catharina von Elmendorf van het landgoed Füchtel. In 1742 droeg hij de
goederen over aan zijn zoon. Hij stierf in 1754. Van zijn eerste vrouw had hij
vier kinderen, zeven andere waren jong gestorven.
Zijn
zoon Andreas Anton Diederick nam de goederen in 1742 over met 22.355
Rijkstalar aan schulden. Op 14 april 1746 huwde hij met Henrietta Charlotta von
Scheele van het huis Hudenbeck. Hij stierf op 12 juli 1760, zijn vrouw op 1
oktober 1765.
Zij
hadden twee kinderen. Hun dochter stierf jong. De zoon, Anton Heinrich
Bernhard, trouwde op 4 juli 1771 met Ernostina Alexandrine von Haen van het
goed Opherdicke. Hij nam de goederen over met 22.372 Rijkstaler aan schulden en
hij overleed op 16 juli 1776 aan t.b.c. Met hem stierf dit geslacht uit.
Nu
volgden twisten over de nalatenschap. De schulden vermeerderden zich, de
goederen werden kleiner. Een vrouwelijk familielid Von Dinklage huwde in 1795
de luitenant van de Grenadiers Von Falkenstein. De financiële moeilijkheden
namen toe, zodat het goed Brettberg na de dood van dit echtpaar in 1835 voor
28.000 Rijkstaler werd verkocht aan de koopman Rüssel uit Haselünne. In 1884
kocht de heer Gellhaus het restant van het Iandgoed. Deze familie bewoont het
nu nog. Het tegenwoordige huis Brettberg, dat een bezoek waard is, draagt het
wapen van de familie Von Dorgelo.
Dat
wij zo goed geïnformeerd zijn over deze tak van de familie Von Dorgelo, die tot
de rijkste adellijke families van het voormalige nederstift Münster behoorde,
danken wij aan de eerdergenoemde historicus K. H. Nieberding, die het goed
Brettberg gedurende lange tijd beheerde en daarbij het Brettberger archief
onderzocht en hierover publiceerde.
Deze
Rooms-katholieke tak van de familie Dorgelo kent een zijlijn die
vermeldenswaard is in verband met de in Duitsland nagelaten tastbare
herinneringen. Deze zijlijn vangt aan met de hiervoor genoemde Johann Rötger von Dorgelo, broer van
Friederich, heer op Brettberg van 1671-1706. Door huwelijk met Auguste von
Rhaeden werd Johan Rötger in 1678 heer van Höfen of Höven, een landgoed bij
Wardenburg ten zuiden van de stad Oldenburg. In de Evangelische kerk te
Wardenburg hangt een rouwbord met het wapen van de Von Dorgelo’s ter nagedachtenis
aan één van zijn zoons, Otto Caspar Dietrich von Dorgolo (1692-1719).
Een
van zijn nakomelingen, namelijk Adam
Levin von Dorgelo (1733-1827), heer
van Hövon, was hofmaarschalk te Oldenburg. Hij werd als heer van Höven
opgevolgd door zijn neef August Wilhelm
Anton (1762-1855), majoor in het Pruisische leger en minister in de
regering van het groothertogdom Oldenburg. Beiden lagen oorspronkelijk begraven
in een familiegraf aan de overzijde van de weg langs Höven, thans echter op de
begraafplaats bij de Evangelische kerk te Wardenburg. Voor het grafonderhoud
wordt nog regelmatig betaald door een majoor Von Dorgelo, wonende te Verden a/d
Aller.
A.
W. A. von Dorgelo stierf in 1855 kinderloos en liet Höven na aan de zoon van
zijn nicht Ludwig Freiherr von Lützow onder voorwaarde, dat deze de
uitstervende naam Dorgelo zou aannemen. In 1864 verkocht hij echter Höven,
waarna het goed nogmaals bij gedeelten is verkocht. Thans wordt het huis
bewoond door de landbouwersfamilie Addicks. Voor de laatste Wereldoorlog droeg
het nog een wapensteen van de familie Von Dorgelo.
Hoewel
blijkbaar verre bloedverwanten nog in leven zijn is deze zijlijn van de
Rooms-katholieke tak derhalve in 1855 uitgestorven[12] . In het Oldenburger Landesmuseum te
Oldenburg bevinden zich thans een monumentale kachel en enkele andere
inventarisstukken, in 1908 aangekocht van de familie Addicks en voorheen
behorende tot het interieur van do familie Von Dorgelo.
Van
het door het middeleeuwse en het sinds de 16e eeuw R.K. gebleven geslacht Von
Dorgelo gevoerde wapen treft men in de verschillende bronnen uiteenlopende
uitvoeringen aan. Steeds is echter sprake van twee uitgerukte en gesnoeide
boomstronken in zwart (met zichtbare wortels), met aan elke boomstronk aan elke
kant twee (of drie) afgehouwen takken, die tegenover elkaar staan. Op grond van
de door mij waargenomen afbeeldingen geef ik de voorkeur aan vier maal twee
takken. Volgens de beschrijving in het Stammbuch van Dorothea von Dorgelo[13] is het
schild van goud (geel), gedekt door een pot- of kuiphelm van lichtblauw en wit,
met helmdoek en wrong van zwart en goud. Als helmtekens weer twee boomstronken
(zoals beschreven, echter zonder wortels), die schuin uit elkaar staan. Volgens
genoemd stamboek is het wapen van vroeg of oudgotische stijl (13e to
14e eeuw).
Eerder
is reeds vermeld, dat de familienaam Dörgeloh thans nog veel voorkomt in het
graafschap Hoya ten zuiden van Bremen. Vervolgens is meegedeeld, hoe naar alle
waarschijnlijkheid een Dorgelo vanuit de buurtschap Dörrieloh voor 1578 is
vertrokken naar de streek ten zuiden van Bremen, n.I. de tegenwoordige gemeente
Kirchweyhe. Aangezien met zekerheid bekend is, dat de Nederlandse Dorgelo’s
rechtstreeks afstammen van deze Dörgeloh ult Dreye, gemeente Kirchweyhe,
zullen wij deze gemeente in het kort nader beschrijven orn dan de laatstgenoemde
genealogische samenhang te onderzoeken.
Het
kerkdorp Kirchweyhe Iigt ongeveer 10 km ten zuidoosten van de stad Bremen
dichtbij het punt waar de Autobahn de
rivier de Weser kruist. Het dorp maakt met de kleinere plaatsen Dreye (aan de
Weser) en Lahausen deel uit van de Landgemeinde Kirchweyhe, die behoort tot de
Kreis Grafschaft Hoya. Te Kirchweyhe is een station aan de spoorlijn
Bassum-Bremen.
De
gemeente telde in 1934 in totaal 3.630 inwoners, in 1941: 4.076 en in 1959:
6.596.
inwoners. Het dorp Dreye bestond in 1773 uit 19 huizen, in 1895 was dit aantal
toegenomen tot 45 met 325 inwoners, in 1960 waren er 100 huizen met 735
inwoners[14]
De
naam Kirchweyhe is afgeleid van Weyhe, welke naam het eerst voorkomt in een
oorkonde van 1063. Het dorp is ontstaan aan de rand van de hogere zandgronden
bij het stroomgebied van de Weser. Het oorkondenonderzoek duidt op een
kerkelijke oorsprong uit de oud-Saksische tijd: weyhe - wege - weige -Weynethe
- Wedeme = gewijde plaats ("geweihter Ort”). De naam van het dorpje Dreye
is afgeleid van "Drehung", een bocht in de Weser, waar op een
voormalig eilandje een scheepvaarttol was gevestigd.
Tussen
Weyhe en het dorp Dörrieloh In het graafschap Diepholz (afstand hemelsbreed in
zuidelijke richting ± 50 km) bestond niet alleen de reeds genoemde relatie van
de oudadellijke familie Von Weyhe met de tweede Sattelhof te Dörrieloh. Tevens
was in de tweede helft van de 16e seuw Tönjes von Weyhe Ianddrost van het
graafschap Diepholz.
Nauwe
banden bestaan sinds lang tussen Weyhe en Bremen. In de Middeleeuwen bezat het
aartsbisdom Bremen te Weyhe een vrije Sattelhof met een meier als beheerder. De
meier (major = de oudere) was in de eerste plaats ambtenaar van de grondheer of
leenman; die vaak zijn leen niet zelf beheerde. Als meier inde hij de pacht in
natura van de horige boeren namens de leenman of grondheer. Later werd hij meer
erfpachter van de Meierhof, terwijl de goedsheer of leenman de functie van
eigenaar ging uitoefenen.
Uit
verschillende oorkonden uit de 14e eeuw blijkt, dat de Bremer kerk vele bezittingen
had in Weyhe. Ook is bekend, dat toen tamelijk veel Bremer burgers uit het
graafschap Hoya stamden, dus o.a: uit Weyhe en omgeving.
Deze
streek heeft echter ook vanouds vele banden met Nederland gehad. In de 1 2e
eeuw hebben zich in het gehele gebied van de Iaaggelegen broekgronden
Hollanders gevestigd. Eeuwen later waren de betrekkingen met Holland nog niet
verbroken, In de 1 7e eeuw brachten vele inwoners van deze streek een Ieertijd
in Nederland door, zo blijkt uit schriftelijke bronnen. Ook gingen vele
dagloners in deze en volgende eeuwen tijdelijk als "Hollandsganger"
in ons relatief welvarende land werken, waar een tekort aan arbeidskrachten
bestond, vooral in de hooitijd (hannekemaaiers).
Na
deze korte historische schets van de huidige gemeente Kirchweyhe keren wij
terug tot de genealogie van de familie Dorgelo. Het onderzoek ter plaatse
ondervindt grote moeilijkheden door de vernietiging van het kerkelijk archief
in 1776, toen tijdens een kerkdienst een grote brand uitbrak in de pastorie. De
oude kerkboeken zijn geheel verloren gegaan, evenals vele huizen, w.o. een
huis, dat voorheen door een Dörgeloh werd bewoond. Gelukkig zijn enkele andere
archiefstukken bewaard gebleven, die ons iets kunnen vertelten over de
Dörgeloh’s te Weyhe.
Het
oudste document is het ploegschattingsregister van 1519, samengesteld op last
van de graven van Hoya[15].
Dit register bevat de boerderijen, waarvan deze graven grondheren waren en is
samengesteld in verband met de invoering van een belasting op het bouwland. De
naam Dörgeloh komt hierin niet voor. In "Karckweyge" waren 26, in
"Dreyge" slechts 6 belastingplichtigen.
De
erfregisters van 1580 van het huis Syke, tot welk ambt de gemeente Kirchweyhe
destijds behoorde, bevatten o.a. een belastingregister, dat is samengesteld in
1579. Bij onderzoek van dit register in het Staatsarchief te Hannover is mij
gebleken, dat hierin onder Dreye de familienaam Dörgeloh eveneens ontbreekt.
De
naam Dörgelohe komt wet eenmaal voor in het erfregister van 1585 van het ambt
Syke. De gegevens over de boerderijen, vermeld in dit erfregister, zijn
gebruikt voor de samenstelling van een nauwkeurige inventaris na het overlijden
van Hertog Julius von Wolfenbüttel in 1589, die het graafschap Hoya eerder had
geërfd.
Het
erfregister vermeldt in het dorp Dreye 12 gezinshoofden, ondersoheiden in 3
z.g. Vollspenner, 3 Halbspenner, 5 Köhters en 1 dienstplichtige akkerman. Een
Vollspenner of Voilmeler was een landbouwer met een volledig span van vier
paarden; hij moest hiermee heredienst doen. Een Halbspenner of Halbmeier deed
dit met zijn 2 paarden (een half span). Dit was althans de regel in de 16e
eeuw. De keuters hadden doorgaans geen paarden en geen of weinig land in
gebruik en deden slechts handdienst. De meiers waren de eigenllijke boeren en
gebruikten steeds het oudste bouwland.
Uitgedrukt
in Kalenbergse morgen (oude oppervlaktemaat) was een Voltmeierhof in
Kirchweyhe 62 morgen 62 x 0,2621 ha 16,25 ha. Dit betrof ter plaatse relatief
zware grond. Op lichtere gronden was een dergelijke boerderij groter.
Het
erfregister van 1585 noemt te Dreye onder de drie Vollspenner Johann
Dörgelohe. Zijn boerderij was, evenals die van de beide andere Vollspenner,
elgendom van het Domkapittel te Bremen. Hij had 7 percelen bouwland en 14 voer
grasland in gebruik en moest een pacht betalen van 2 1/2 Bremer Mark, 9 schepel
haver, 6 schepel gerst en wagendienst doen. Bovendien moest hij aan het
ambtshuis to Syke 1 himt ( = 1/8 schepel = 50 pond) gerst betalen en daar ook
hand- en spandiensten verrichten.
Hoewel
dit niet uit schriftelijke bronnen is te bewijzen[16],
mogen wij toch wel aannemen, zoals eerder is uiteengezet, dat deze Johann
Dörgelohe een bloedverwant was van de Rooms Katholiek gebleven tak van de
Dorgelo’s en evenals laatstgenoemden afkomstig was van het stamgoed te
Dörrieloh. Niet alleen bestond tussen Dorrieloh en Dreye een verbinding via de
familie Von Weyhe. Qok was er weinig verschil in sociale positie van Johann
Dorgelohe, eerst op de Sattelhof te Dörrieloh als (zoon van de) meier voor de
leenman Otto von Dorgelo en later, na 1579, als meier voor het Domkapittel van
Bremen op de meierhof to Dreye. Bovendien was Heinrich von Dorgelo, zoon van
Otto, omstreeks 1579 kanunnik bij de St. Stephans- en Wilhadskerk to Bremen.
Aangezien Otto het stamgoed in of voor 1578 verkocht, is het chronologisch
begrijpelijk, dat de achternaam Dörgeloho in 1585 nog slechts éénmaal in het
erfregister kon voorkomen to Dreye.
Nog
een aanwijzing voor het veronderstelde verband tussen de familie Dörgelohe te
Dreye en de leenman Von Dörgelo van de betrokken Sattelhof to Dörrieloh,
graafschap Diepholz, is gelegen in de omstandigheid, dat tegen het einde van de
16e eeuw ook in Diepholz (toen reeds geruime tijd Evangelisch) de familienaam
Von Dorgoloh voorkwam. Op 24 maart 1594 verkocht Heilwich von Dorgeloh aan
Johann Trosting en zijn vrouw Gesche twee tiendvrije stukken land voor 70
guldens, die zij wilde gebruiken voor de betaling van de schulden van haar
overleden broer (mogelijk de vader van Johann Dörgeloho to Dreye). Op 18 april
1598 verkochten Harteke von Stemshorn en zijn vrouw Gertrud von Dorgeloh aan
Dietrich Stöwer en zijn vrouw Wopkon een tiendvrije kamp[17]. In de
volgende decennia heeft de Evangelische familie Dörgelohe zich in de gemeente
Kirchweyhe uitgebreid. Uit de 17e eeuw zijn bekend: een predikant Dargeloh te
Kirchweyhe (ovorleden 1637; de naam is af en toe verschillend ingeschreven);
Hinrich Dörgeloh (ook Dargeloh geschreven), die in een getuigeverklaring van
1652 bij een proces te Syke wordt genoemd als een veehandelaar, die soms
brandewijn stookte, toen 57 jaar oud was (dus geboren in 1595), in zijn jeugd
17 jaar in Bremen had gewerkt en in 1652 eveneens 17 jaar ingezetene van Weyhe
was; deze Hinrich zal een zoon van Johann zijn geweest; hij is ook genoemd in
het z.g. "Lagerbuch" van 1659 als "Brincksitzer", d.w.z.
als bewoner van een nieuwe, doorgaans in de 16e/17e eeuw gebouwde woning aan do
brink te Kirchweyhe; hij hoefde te Syke goen handdienst te verrichten, omdat
hij deze had afgekocht; ook in 1692 woonde hier een keuter Heinrich Dörgeloh;
het Lagorbuch van 1659 vermeldt als tweede naamgenoot Clausz Dörgelohe, Vollmeier
te Dreye, zeer waarschijnlijk een (klein-)zoon van eerdergenoemde Johann. Deze
boerderij te Dreye no. 8 was zelfs voor enkele jaren nog bewoond door een
weduwe Anna Dörgeloh. Ook wonen thans verscheidene andere Dörgeloh’s to
Kirchweyhe, o.a. de eigenaar van hot plaatsolUke Gasthaus. Van 1920—1933 was
keuter Hermann Dörgeloh burgemeester van Kirchweyhe. Hij was met o.a. drie
naamgenoten te Kirchweyhe gerechtigd in de gemeenschappelijke weide van 92 ha,
die in 1952 in het kader van een ruilverkaveling is verdeeld.
In
de archieven van de vrijo Hanzestad Bremen komt onzo familienaam voor de eerste
maal voor in 1628. Op 21 juli van dat jaar legde Heinrich Dörgeloh van
Kirchwoyhe de burgereed af, zoals de burgerboeken van de stad aangeven. Hij was
zeer waarschijnlijk de bovengenoemde Hinrich Dörgeloh. die van 1618 tot 1635 in
Bremen woonde. Hetzelfde deed Lüder Dörgelohe, te Dreye geboren, met een
musket en zijdgeweer op 31 januari 1642. Als borgen (getuigen) traden op Johann
Janszen en Andreas Dreheszen.
Laatstgenoemde
Dorgorlohe woonde echter reeds in 1632 to Bremen, daar in dit jaar zijn dochter
Gretke is gedoopt in de St. Ansgariuskerk. Hetzelfde doopregister vermeldt de
doop van Catharina in 1634 en van Claus in 1636. In de St. Stophanuskork is op
7 februari 1644 gedoopt zijn zoon Dierich Dorgeloh (vader Lüder, moeder
Metke, zonder meisjesnaam). Löder zal dus omstreeks 1630 zijn gehuwd.
Uit
één en ander is te concluderen, dat Hinrich en Lüder resp. uit Kirchweyhe en
Dreye naar Bremen zijn gegaan tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618—1648), toen
de Deense koning in gevechten was gewikkeld met de Duitse keizer en de
Katholieke vorsten; o.a. in het graafschap Hoya was sinds 1623 een Deense
bezetting. Enkele jaren later volgden Zweedse troepen. Deze omstandigheden
kunnen de migratie naar Bremen hebben bevorderd.
Lüder
Dorgeloh uit Dreye is zeer waarschijnlijk ook een zoon van Johann Dörgelohe,
Volimeier te Dreye. Zijn jongste zoon Dierich is ongetwijfeld dezelfde als Dirck
Durgerlo van Bremen, schoolmeester te Ancum gemeente Dalfsen (Overijssel),
die in 1679 lidmaat was van de Nederlandse Hervormde Kerk van Dalfsen. De
redenen van zijn emigratie zijn onbekend. Wellicht heeft de relatieve welvaart
in de Nederlanden een rol gespeeld. Als Hanzestad had Bremen vele
handelscontacten met de Nederlandse Hanzesteden, zoals Deventer en Zwolle. De
taal zal geen moeilijkheden hebben veroorzaakt, daar het Overijssels dialect
veel gelijkenis vertoont met het platduits in de omgeving van Bremen.

Figuur
3: Woonplaatsen van Dorgelo’s in
Duitsland (onderstreept)

Figuur 4: Woonplaatsen van Dorgelo’s in
Overijssel en omgeving (onderstreept). M
= boerderij F 100 in het Marssebelt onder Den Vellener, gem Raalte.
V. DE DORGELO’S IN NEDERLAND
|
De
eerste Dorgelo in ons land, voorkomende in de in 1679 samengestelde
lidmatenlijst van de Ned. Hervormde Kerk van Dalfsen onder de buurtschap Ancum,
Vos en Rosegaeren, was de vorengenoemde Dirck Durgerlo van Bremen (I),
de stamvader van de Nederlandse Dorgelo’s. Hij was schoolmeester te Ancum en gehuwd met Lysabeth Wechmans [18].
Vermeldenswaard
is ook, dat reeds in 1617 als predikant van de Nederduits Gereformeerde
Gemeente van Waverveen (Utrecht) wordt genoemd Rudolphus Dorgeloo [19]. Hij was
de derde predikant aldaar. Waverveen was zijn eerste standplaats. Reeds in 1620
vertrok hij naar Broek in Waterland, na voor de tweede maal daar te zijn
beroepen [20]
Hij stierf te Broek in Waterland in 1626 [21].
Uit de trouw- en doopboeken van beide gemeenten, voorzover aanwezig, is
niet gebleken dat deze predikant gehuwd was en nakomelingen heeft gehad. Zijn
volledige naam was Rudolphus Johannis Dorgeloo Error!
Unknown switch argument.. Mogelijk
was hij eveneens afkomstig van Bremen na daar zijn opleiding te hebben genoten.
Niet uitgesloten is een verwantschap met de predikant Dargeloh te Kirchweyhe,
overleden in 1637. Hoe dit ook zij men kan aannemen dat de thans in Nederland
levende Dorgelo’s afstammen van Dirck Durgerlo, van Bremen te Ancum.
Thans
bestaat in de buurtschap Ancum, ten noordwesten van Dalfsen, nog steeds een dorpsschool,
In de 1 7de eeuw zal deze zeker een z.g. eenmansschool zijn geweest. Naar men
mag aannemen, zal Dirck, op 7 februari 1644 gedoopt te Bremen als jongste zoon
van Lüder Dorgelohe, aldaar een opleiding tot onderwijzer hebben ontvangen.
Hiertoe was een goede gelegenheid aanwezig in de in 1528 te Bremen opgerichte
Latijnse school, in 1584 voorzien van een z.g. classis publica of Paedagogeum
(gymnasium in de tegenwoordige betekenis) en in 1610 uitgebreid met het
Gymnasium Illustre (een hogeschool met vier faculteiten). In het sinds ± 1580
Hervormde Bremen studeerden vele Protestantse studenten, ook uit Nederland.
Helaas zijn de leerlingenlijsten van de Latijnse school en het Paedagogeum uit
de l7de eeuw niet bewaard gebleven [22].
Uit
de kerkregisters van Dalfsen, die beginnen met 1679, is het aantal kinderen van
Dirck D. niet nauwkeurig af te leiden. Ook komt zijn huwelijk er niet in voor.
Het lidmatenboek vermeldt, dat in 1703 zijn aangenomen: op 8-1-1703 Jan Berent
Dorgelo (II, 1), "soon van Derck van Bremen" (geb. ± 1682?); op
28-9-1703 Willom Hendrik D. (II, 2)
(geb. ± 1684?).
De
doopboeken van Dalfsen - Ancum noemen verder: 15-8-1686 Gerrit D. (II, 3), “(Derks), soon van Dirck Durgelo, schoolmooster te Ancum, en
Lysabeth Wechmans”;
14/18-8-1689
Elizabeth D. (II, 4), "dogter van Derck van Bremen en Lysabeth Wegmans,
schoolmeester en zijn vrouw te Ancum".
Uitgaande
van deze tweede generatie zullen in de volgende hoofdstukken steeds de
belangrijkste gegevens per tak aan de orde komen met verwijzing naar het
geslachtsregister tussen ( ). De gegevens zijn hoofdzakelijk afkomstig uit de
retroacta van de burgerlijke stand (doop-, trouw- en begraafboeken) van de
kerkelijke gemeenten voor de periode tot 1811 en vanaf dit jaar uit de
registers van de burgerlijke stand van de betrokken burgerlijke gemeenten. Hier
en daar zijn lacunes aanwezig. Niettemin moet het onderzoek betrekkelijk
eenvoudig zijn geweest, omdat ons geslacht steeds een achternaam heeft gevoerd
in tegenstelling tot de meeste geslachten, die vóór 1811 slechts voornamen en
vadersnamen kenden.
Jan
Berent Dorgelo (II, 1) huwde ± 1715 met Peternella Reynts Snelle
(niet vermeld in het huwelijksboek van Dalfsen). Uit dit huwelijk zijn te
Dalfsen vier zoons en vijf dochters (III, 1 t/m 9) gedoopt in de jaren 1716 t/m
1730, waarvan twee zoons zeer jong zijn gestorven (III, 2 en 7).
De
oudste zoon, Reynier (III, 3), gedoopt 6-8-1719, vestigde zich in 1742 te
Grafhorst ale inwonende knecht bij de veehouder Klaas Visscher[23]. In 1742
is hij na gedane geloofsbelijdenis aangenomen als lidmaat van de N.H. Kerk van
IJsselmuiden, waartoe Grafhorst kerkelijk behoorde (tenaamstelling
"Reinhard Durillo (uit Grafhorst)"). Reynier’s jongere broer Jannes
(III, 8) volgde hem in 1748 naar Grafhorst. Op 20-jarige leeftijd is hij in dit
jaar als lidmaat aangenomen door de N.H. Kerk van IJsselmuiden.
Beide
broers huwden in 1759 te Dalfsen met twee zusters Meulenhoff, afkomstig uit
Zwolle, die dienstboden waren op hat landhuis Den Ruytenberg te Dalfsen. Uit
het huwelijk van Jannes, die te Dalfsen bleef wonen, is slechts één dochter
geboren, die na twee maanden stierf.
Reynier
bleef in Grafhorst wonen en is te beschouwen als de stamvader van de tak der
Dorgelo’s in Grafhorst - Kampen. Uit zijn huwelijk zijn twee zoons en één
dochter geboren (IV, 1 t/m 3). Reynier’s oudste zoon Jan D. (IV, 1),
"landman onder Kampen", huwda in 1784 met Aaltje Hendriks, afkomstig
van de Zeedijk onder Mastenbroek. Vóór 1805 waren beiden lidmaat van de N.H.
Kerk van Kampen. Van Reynier’s jongste zoon Peter (IV, 3) is niets meer bekend
dan zijn doopdatum.
Deze
tak bleef in stand door Jan D. (IV, 1), uit wiens huwelijk te Grafhorst acht
kinderen zijn gedoopt (V, 1 t/m 8), w.o. vijf dochters, Van de drie zoons is
één op zeer jeugdige leeftijd gestorven, terwijl van de eerstgeboren zoon,
wederom een Peter (V, 1), slechts de geboortedatum bekend is.
Jan’s
jongste zoon Reinier (V, 6) was daghuurder te Grafhorst. Hij trouwde in 1819
met AaItje Beunink, die in 1828 te Kampen stierf. Vervolgens hertrouwde Reinier
aldaar in 1830 met Albertja Kanis, weduwe van Hendrik Engeltjes. Zover beknd
waren er geen kinderen uit Reinier’s eerste huwelijk
Uit
zijn tweede huwelijk zijn te Kampen drie kinderen geboren (VI, 1 t/m 3), twee
dochters en een zoon Hendrik Jan (VI. 2), die touwslagersknecht was. Deze huwde
omstreeks 1860 met Willemina Tennekes. Uit dit huwelijk kwamen tien kinderen
voort (VII, 1 t/m 10), waarvan er drie jong overleden. Onder de overige zeven
waren twee dochters, Van de vijf zoons is bekend, dat Reinier (VII, 1) en Johan Matthijs (VII, 2)
sigarenmakers waren. Laatstgenoemde woonde in de Hofstraat te Kampan. Ook
Hendrik Jan (VII, 6) was sigarenmaker, evenals zijn jongere broer Hendrikus
(VII, 10), die is verhuisd naar Krommenie. De vijfde broer, Willem Jan (VII,
7), was koster in Kampen.
Johannes
Matthijs huwde in 1889 met Annegien Brouwer. Uit dit huwelijk zijn tien
kinderen geboren (VIII, 2a t/m j), van wie vier zeer jong zijn overleden. Onder
de overige zes was slechts één zoon, n.l.. Hendrik Jan (VIII, 2 j). Deze woont
nog te Kampen en was evenals zijn vader sigarenmaker. Uit zijn huwelijk met
Gerrigje van Enk (1932) zijn acht kinderen voortgekomen, van wie één dochter
zeer jong is gestorven. Vijf kinderen zijn te Kampen blijven wonen. Hieronder
zijn Johannes Matthijs (IX, 2a), metaalbewerker, Jan (IX, 2b), mattenvlechter,
beiden ongehuwd, en Wolter (IX, 2c), timmerman, gehuwd met W. A. A. v. d. Werf
en in het bezit van drie zoons (X, 2a t/m c). De vierde zoon Hendrik Jan (IX,
2d) is muziekleraar en woont te Wapenveld. Uit zijn huwelijk met Barta Reuijl
zijn twee dochters geboren (X, 2d en e).
De
derde zoon (VII, 6) van Hendrik Jan, die naar zijn vader was genoemd, trouwde
in 1896 met Jantje Martinus. Uit dit huwelijk zijn 12 kinderen geboren (VIII,
6a t/m I). Een zoon is als baby gestorven. Onder de overige kinderen waren vijf
zoons, die allen in leven zijn en te Kampen wonen. De oudste zoon, Abraham
(VIII, 6b), was sigarenmaker en huwde met H. I. Gosselink. Hun zoon Theodorus
(IX, 6b) is betonvlechter. Uit zijn huwelijk met Willy Vinke zijn drie kinderen
geboren, onder wie een zoon Abraham (X, 6a) en een zoon Johannes (X, 6c).
Hendrik
Jan’s zoon Reinier (VIII, 6h) houdt de naam in ere van de stamvader van da
Kamper tak, zijn betbetovergrootvader (III, 3). Reinier is van beroep kleermaker.
Hij huwde met Aleida Gottmar en heeft zes kinderen, onder wie drie zoons. De
oudste zoon is Handrik Jan Harman (IX, 6d), belastingambtenaar te Kampan. Uit
zijn huwelijk met Fokje Wolters zijn drie kinderen voortgekomen, onder wie één
zoon Reinier Johannes (X, 6e). Reinier’s zoon Hendrikus Josephus Johannes is
eveneens belastingambtenaar, terwijl Rainier Seakle (IX, 6g) geografisch
tekenaar is te Lelystad.
De
jongste zoon van Hendrik Jan is Wilhelmus Johannes (VIII, 6i), vertegenwoordiger
te Veenendaal. Uit zijn huwelijk met Aaltja van Vaanendaal zijn drie kinderen
geboren onder wie een zoon Hendrik Jan Maarten (IX, 6j). Deze heeft wederom een
zoon Remco Peter (X, 6i), geboren uit zijn huwelijk mat Alida de Wit.
De
vierde zoon van Hendrik Jan (VI, 2) was Willem Jan (VII, 7), die sigarenmaker
en tevens koster was te Kampen. Uit zijn eerste huwelijk met Stijntje van
Ogtrop had hij drie kinderen (VIII, 0a t/m c), waarvan twee zeer jong zijn
gestorven. Uit WilIam Jan’s tweede huwelijk met Maria van Doorn (1905) zijn
vijf kinderen geboren, onder wie drie zoons (VIII, 0 1a en 1b) De oudste zoon
Hendrik Jan is leraar te Zaandam. In 1933 trouwde hij Christina Veldhuis. Uit
dit huwelijk zijn drie kinderen geboren, onder wie twee zoons (IX, 0b1 en 0c1),
die beiden vertegenwoordigers zijn, resp. te Arnhem en te Zaandam.
Willem
Jan’s tweede zoon Jacob Herman (VIII, 1a) is eveneens naar Zaandam verhuisd en
daar als typograaf werkzaam. Uit zijn huwelijk met Dirkje v. d. Weerd zijn vijf
kinderen voortgekomen (IX, 1 a t/m e). De oudste zoon Wiliem Jan (IX, 1a) heeft
zich als metaalbewerker te Udenhout gevestigd. Uit zijn huwelijk met Truus
Willems zijn drie kinderen geboren, w.o. een
zoon Jack Herman (X, 1 b). Jacob Herman’s jongste zoon Jack Herman (IX, 1 a)
werkt als brander te Zaandam. Tenslotte is Willem Jan’s gelijknamige derde zoon
(VIlI, 1 b) eveneens als typograaf werkzaam, doch te Kampen. Hij huwde met
Elsje Voerman en heeft drie zoons (IX, 1f t/m 1h). de Oudste zoon Willem Jan
(IX, 1f) is schoolhoofd te Hasselt. Hij heeft vele gegevens verzameld over de
Kamper tak van de Dorgelo’s. Een gedeelte is in deze tekst opgenomen. Uit zijn
eerste huwelijk in 1964 met Lambertha M. C. v. Dijk zijn twee kinderen geboren.
Het zoontje Willem Jan (X, 1d) is daags na de geboorte overleden.
WilIam
Jan’s tweede zoon is Gerrit Jan (IX, 1g), conciërge te Kampen. Hij is in 1967
getrouwd met Antonia Beljaans en heeft twee kinderen, w.o. een zoon Willem Jan
(X, 1f). De derde zoon van Willem Jan (VIII, ib) is Marius, werkzaam als
assistent-verkoopsleider en wonend te Kampen (IX, 1 h).
De gemeente Kampen telde in 1947 de meeste
Dorgelo’s van alle Nederlandse gemeenten, t.w. 45 [24] .
Willem
Hendrik Dorgelo (II, 2), geboren omstreeks 1684 te Ancum, was de stamvader van
een tak, waarvan de leden hoofdzakelijk in de tegenwoordige gemeente Dalfsen
zijn blijven wonen. Hij huwde omstreeks 1719 met Derckien Gerryds en woonde in
het kerkdorp Dalfsen. Hij moet zijn overleden vóór 1745. Uit zijn huwelijk zijn
zes kinderen geboren (III, 10 t/m 15), waarvan twee jong zijn gestorven. De
overige vier waren twee zoons en twee dochters. Van de zoon Derck D. (III, 13)
is slechts de doopdatum bekend. Uit de latere gegevens van de doopboeken,
trouwboeken, dodenboeken en registers van inwoners blijkt, dat Derck zeer
waarschijnlijk niet in Dalfsen is blijven wonen. Wellicht is hij verhuisd naar
Emmen onder Dalfsen.
Willem
Hendrik’s oudere zoon Gerrid D. (III, 12) is driemaal getrouwd, resp. in 1745
met Marije Snel, in 1759 als weduwnaar met Aaltje Dirks en in 1763, wederom
als weduwnaar, met Aaltje Gerrits uit Ancum.
Hij
woonde steeds in het kerkdorp, waar hij in 1805 overleed. Uit zijn eerste
huwelijk is een zoon geboren, nI. Jan Harmen D. (IV, 4) in 1755. Deze moet zich
in Borne hebben gevestigd als schoolmeester. In 1789 is zijn eerste dochter
aldaar geboren, drie jaren later zijn tweede dochter. Hij had geen zoons. In
zijn sterfjaar (1811) was hij tevens verwalter en richter te Borne.
Dat
Jan Harmen het in het overwegend Rooms Katholieke Borne niet altijd gemakkelijk
heeft gehad, blijkt uit het feit, dat hij zich tijdens de landdag van
Gedeputeerden van Overijssel op 8 januari 1796. samen met Gerh. Meiling,
organist van de Gereformeerde Kerk te Borne, beklaagde over de omstandigheid,
dat zij in 1795 de jaarlijkse pacht van 7 mud rogge niet hadden ontvangen van
de meyers van een bepaald erf, hoewel deze pacht bij hun tractement behoorde.
De oorzaak was, dat "die van de Roomsche gezinde van Borne aan genoemde
meyers hadden geïntroduceerd om hetzelve aan hun te betalen". [25]
Uit
het tweede huwelijk van Gerrid D. (III, 12) zijn twee dochters geboren (IV, 5
en 6). Zijn derde huwelijk bracht niet minder dan negen kinderen voort (IV, 7
t/m 15), t.w. zes dochters en drie zoons, waarvan de laatstgeborene jong is
gestorven.
De
oudste zoon Gerrit Jan D. (IV, 9)is waarschijnlijk tweemaal gehuwd. De eerste
maal met Antonia van 't Hout omstreeks 1795, uit welk huwelijk alleen een
dochter bekend is, die in 1816 te Zwolle is overleden. In 1812 hertrouwde
Gerrit Jan D. to Zwolle met Hanna Knape. Aldaar zijn uit dit tweede huwelijk
vier kinderen (V. 11 t/m 14) geboren, nI. drie dochters en een zoon Gerrit D.
(V, 13). Van deze Gerrit D., geboren in 1818, is mij verder niets bekend.
Niettemin woonden in 1947 in de gemeente ZwolIe zeven D.’s.
De
tweede zoon van Gerrit D. (III, 12) uit zijn derde huwelijk was Willem Hendrik
D. (IV, 13), blijkbaar genoemd naar zijn grootvader. Hij huwde in 1798 op
20-jarige leeftijd met Gerritdina van Eerbeek, oorspronkelijk afkomstig van Den
Ham, en werkzaam op het landgoed Gerner bij Dalfsen. Hij is verhuisd naar de
buurtschap Emmen, waar hij in 1818 op 40-jarige leeftijd overleed, doch is te
De
derde zoon Gerrit (II, 3) van Dirck Durgerlo, van Bremen (I), was de voorvader
van de meeste thans in leven zijnde Dorgelo’s in Nedertand. Hij huwde,
waarschijnlijk in 1718, met Geertien Tijs(sen).
Gerrit
D. is zijn vader opgevolgd als schoolmeester te Ancum. In het Register van
predicanten ten plattelande, derzelver weduwen en schoolmeesters” [26] is vermeld: "Bij rate van
Ridderschap en Steden van den 19 April 1736 aan den schoolmeester in de
buurtschap Ancum in het carspel van Datfsen toegelegt zijnde een jaarlijks
tractement van 25 gulden is bij rate van de heeren Gedeputeerden den 6
December 1736 den ontfanger van Settend gelast om aan Gerrit Dorgelo,
aangestelde schoolmeester aldaar, het tractement jaarlijks te betalen en wel
voor de eerste maal het jaar verschenen geweest op……. Martini 1736”.
Uit
het huwelijk van Gerrit D. met Geertien Tijs zijn niet minder dan zes zoons
geboren (III, 16 t/m 21). Van de twee oudsten is de levensloop helaas onbekend.
Zij zijn zeer weerschijntijk niet te Dalfsen getrouwd (ontbreken in de
trouwboeken vanaf 1745), mogelijk reeds op jeugdige leeftijd overleden (de
dodenboeken beginnen met 1770). De derde zoon Jannes D. (III, 18) is zijn
vader reeds in 1743 of 1742 als schoolmeester te Ancum opgevolgd. In 1743
kenden Ridderschap en Steden hem een jaarlijks tractement toe van 50 gulden.
In
1747 huwde Jannes D. met Matje Hendriks (Dijks), “jonge dochter van den
Herdenberg, dog Iaatst woonagtig in ‘t Roode
Hart te Ancum”, aldus het huwelijksboek. ‘t Roode Hart was de herberg, gelegen
aan de Hessenweg ten noorden van Ancum. Sinds 1751 vergaderden hier de
erfgenamen van de boermarko van Ancum, Vos en Roosengaarde [27].
Jannes
D. heeft drie kinderen gehad (IV, 16 t/m 18), van wie het eerstgeborene, een
meisje, op jeugdige leeftijd zal zijn gestorven. Het tweede kind was de zoon
Gerrit D. (IV, 17). In 1772 word hij schoolmeester en koster te Heemse bij
Hardenberg, de plaats van herkomst van zijn moeder. Hij trouwde in hetzelfde
jaar met Anna Margaretha Raafkus, weduwe Warmelink, die reeds in 1777 stierf op
39-jarige leeftijd, in welk jaar Gerrit hertrouwde met Hilligje Veurink uit
Rheeze (gelegen tussen Heemse en Meriënberg)
Uit
het eerste huwelijk zijn drie kinderen geboren (V, 16 t/m 18), die ellen op
zeer jeugdige leeftijd zijn overleden. Gerrit’s tweede vrouw kreeg echt
kinderen, van wie twee zoons in hun geboortejaren zijn overleden. Twee andere
zoons (V, 22 en 25) bleven in leven. De overige kinderen waren dochters.
Gerrit
D. (IV, 17) was niet alleen de stemvader van het geslacht Dorgelo te Heemse,
ook speelde hij plaatselijk een vrij belangrijke rot. Zo wee hij in 1795
afgevaardigde van het schoutambt Hardenberg in de vergadering van de Provinciale
Representanten van het Volk van Overijssel. In verband met de vordering van
wagens en de inkwartiering van Franse soldaten vroeg G. Dorgelo, of de
provinciale meyers van het klooster Sibculo, die altijd waren vrijgesteld, geen
wagendiensten zouden kunnen verrichten. Dit zou de omwonenden, die wel erg
zwaar belast waren, aanmerkelijk verlichten. Ook verzekerde G. Dorgelo, dat
Heemse het enige dorp in het schoutambt was, dat evenals de stad Hardenberg had
te lijden onder de inkwartiering en de belasting. Een ernstige kwestie bracht
hij ter sprake, toen hij meedeelde, dat niet alleen de meeste leden van zijn
municipaliteit de eed van 22 mei weigerden af te leggen, maar dit zelfs aan de
minderheid verboden op uitdrukkelijke last van de respectieve boerschappen”.
Deze eed erkende de souvereiniteit van het volk, gegrond op de rechten van de
mens en burger en op vrijheid en gelijkheid, hield het stadhoudersschap voor
afgeschaft en handhaafde het provinciaal bestuur tot een nationale conventie
nader zou hebben beslist[28].
In
1805 was Gerrit Dorgelo één van de keurnoten bij het gerecht Hardenberg. Ook
hield hij de markeboeken bij van de buurtschap Rheeze. In 1939 waren deze met
andere boeken nog in het bezit van Hendrika Johanna D. (VIII, 8). In de boeken
was hier en daar een gedeelte van de stamboom opgenomen, waarvan hier bij de
beschrijving van deze tak gebruik is gemaakt.
Gerrit
D. (IV, 17) werd als schoolmeester te Heemse in 1816 opgevolgd door zijn zoon
Hermen Jan (V, 22), die in 1821 trouwde met Egbertdina Roelofs uit Archem bij
Ommen. Op zijn beurt is Hermen Jan als schoolmeester weer opgevolgd door zijn
enige zoon Gerrit Jan Hermen D. (VI, 9) in diens huwelijksjaar 1846. Hij
trouwde toen met Hendrika Stoeten uit Rheeze.
Uit
dit huwelijk zijn negen kinderen bekend (VII, 12 t/m 20), van wie niet minder
dan acht jongens. Hermen Jan (VII, 12) is bakker geweest te ZwoIIe en Amsterdam.
Hij had vier zoons (VIII, 3 t/m 6), van wie Hendrik (VIlI, 4) in Amsterdam
boekhouder was, Abraham (VIII, 5) leraar tekenen en Hermen Jan (VIII, 6) bankbeambte
te Amsterdam was evenals zijn oudste broer Gerrit Jan Hermen (VIII, 3). In 1947
waren 20 Dorgelo’s in Amsterdam woonachtig, Van de vier broers (VIII, 3 t/m 6)
heeft alleen Hendrikus (VIII, 4) mannelijke nakomelingen tot in de derde graad.
Uit zijn huwelijk met Elizabeth Raakman zijn twee kinderen geboren, van wie één
zoon, nI. Hendrikus (IX, o.a.), die architect is te Rotterdam. Hij huwde in
1938 Anna Vreeswijk, die vier kinderen kreeg, o.w. drie jongens (X, 0 t/m Oc).
De tweede, René Constant, is ingenieur. Uit zijn huwelijk is in 1971 een zoon
geboren, Steven Martin (XI, 0).
De
tweede zoon van Gerrit Jan Hermen D. (VI, 9) was Evert Jan (VII, 13), landbouwer
te Heemse op de boerderij "Voorzorg". Zijn broer Lubertus D. (VII,
15) was manufacturier in ZwolIe. Deze had een zoon Willem J. (VIII, 7), die
onderwijzer was.
Ook
een jongere broer van Lubertus, n.I. Willem Johannes D. (VII, 16) was tot 1921
schoolmeester, en wel als opvolger van zijn vader te Heemse. Hij was de zevende
Dorgelo in successie, die het beroep van schoolmeester uitoefende, gerekend
vanaf Dirck Durgerlo van Bremen (1) in Ancum, en de vierde als zodanig in
Heemse. Uit zijn huwelijk is alleen één dochter bekend, Hendrika Johanna (VIll,
8), die het familie-archief in haar bezit had, lange tijd te Heemse woonde en
later in Ermelo.
Jongere
broers van Willem Johannes D., de laatste Heemser schoolmeester (VII, 16),
waren Hermannes Hendrikus (VII, 17), Iandbouwer te Rheeze, Gerhardus Hendrikus
(VII, 18), Johannes Lambertus (VII, 19), onderwijzer te Deventer, later leraar
te Rotterdam, en Hendrik (VII, 20), wonende te Nijverdal.
Terugkerende
naar de generatie van Hermen Jan D. , 22) dient te worden vermeld, dat deze één
broer had, n.l. Everd (V, 25), die koopman en winkelier was te Heemse. Zo
blijkt uit een in mijn bezit zijnde brief d.d. 6 juni 1833, die Everd ontving
van zijn achterneef Anthony D. (V, 37), commies der belastingen te Haaksbergen,
betreffende een vordering van f 10,75,
welk bedrag Everd tegoed had. Ook maakt deze brief melding van de door Everd
verwachte benoeming tot luitenant bij de Landstorm.
Uit
Everd’s huwelijk zijn minstens vier zoons en één dochter geboren, van wie twee
zoons in hun geboortejaren zijn gestorven. Zijn zoon Gerrit bewoonde met zijn
zuster een café te Heemse.
Van
deze zijtak of van de hoofdtak te Heemse stammen mogelijk de Dorgelo’s af, die
thans te Schoonebeek (Dr.) een boerderij en een café bewonen. In 1947 telde de
gemeente Hardenberg niet minder dan 37, de gemeente Schoonebeek 21 naamdragers
Dorgelo.
Tenslotte
verdient vermelding, dat Jannes D. (Ill, 18), de derde schoolmeester D. te
Ancum, behalve zijn zoon Gerrit (IV, 17) nog een dochter Grietje (IV, 18) had.
Zij huwde met haar neef Jan D. (IV, 25a) omstreeks 1789 en woonde eerst op
Wagteveld bij het Rozengaarder hek, later op de Pakop, eveneens bij het
Rozengaarder hek te Ancum, waar haar man Iandbouwer was. Uit dit huwelijk zijn
bekend twee spoedig na de geboorte overleden kinderen en een zoon Gerrit Jan
(V, 28).
In
1826 is hij vrijgeloot voor de militaire dienst. Hij woonde toen bij zijn vader
in op de laatstgenoemde boerderij te Ancum met zijn vrouw Janna Hoogenkamp, met
wie hij in 1822 was getrouwd.
Uit
dit huwelijk zijn zes kinderen geboren (VI, 13 t/m 18), onder wie twee zoons.
De eerste zoon Jan (VI, 13) is als 3-jarig kind overleden. Gerrit Jan’s tweede
zoon, eveneens Gerrit Jan (VI, 16), is zijn vader als landbouwer opgevolgd. Van
zijn eventuele nakomelingen is mij niets bekend, m.u.v. het feit, dat de
gemeente Dalfsen in 1947 nog vier D’s onder haar inwoners telde.
De
vierde zoon van Gerrit D. (II, 3) was waarschijnlijk Gerrit Hans Thijs D. (III,
19). Zijn doopjaar is niet bekend. Hij komt voor op de Lijst van inwoners van
Ancum van 1748 als echtgenoot van Margien Jansen met drie inwonende kinderen,
jonger dan 10 jaar, van wie overigens weinig bekend is.
Eén
van hen was Jan Tijssen D. (IV, 19). Hij huwde in 1780 met de weduwe Janna
Janssen, afkomstig van het Iandgoed Gerner in de huidige gemeente Dalfsen. Zijn
vrouw stierf reeds in 1788.
Jan
Tijssen D. woonde te Ancum. In 1789 hertrouwde hij met Grietje Peters. Uit zijn
eerste huwelijk zijn slechts twee dochters bekend (V, 29 en 30), zodat
deze tak met Jan Tijssen is uitgestorven.
Een
in genealogisch opzicht belangrijke zoon van Gerrit D. (II, 3) is zeker Jan
(Gerrits) D. (III, 20), Gerrit’s vijfde zoon, die, de stamvader was van een tak
via Raalte naar Haaksbergen en van een tak naar Dedemsvaart.
In
1750 huwde Jan (Gerrits) D. met Ida Janssen, weduwe van Jan Janssen. Volgens
het register van inwoners van Ancum van 1748 was laatstgenoemde toen nog in
leven en had het echtpaar Janssen twee zoons ouder dan 10 jaar.
Jan
(Gerrits) D. had eveneens twee zoons (IV, 20 en 21). Van de tweede zoon Jannes
(IV, 21) is niet meer dan de doopdatum bekend, dit in tegenstelling tot de
eerste zoon Gerrit Jan D. (IV, 20).
Hij trouwde in 1780 met Janna Pastmans uit Ancum. Uit dit huwelijk zijn acht
kinderen geboren, n.l. vier dochters en vier zoons. Het eerste kind is in 1781
geboren te Ancum, de overigen in de kerkelijke gemeente Raalte vanaf 1783.
Hieruit
volgt, dat Gerrit Jan D. met zijn gezin omstreeks 1782 is verhuisd van Ancum
naar Raalte. Hij vestigde zich op het boerderijtje onder den Vellener op ‘t
Marssebelts”, zoals bij de meeste doopinschrijvingen is vermeld. Deze
"katerstede" is thans (1972) nog steeds te zien, zij het in verbouwde
staat, dichtbij het Iandgoed Den Vellener op ± 5 km ten zuiden van Heino bij
het Nijenhuis. Thans ligt ‘t Marssebelt juist binnen de burgerlijke gemeente Raalte,
huisnummer F 100, bewoond door de weduwe Grootenhuis en haar dochter, getrouwd
met de heer Winkelboer. In 1876 is het boerderijtje gekocht door Mannes
Grootenhuis.
Van
Gerrit Jan’s acht kinderen zijn er dus zeven op ‘t Marssebelt geboren (V, 31
t/m 38). Zijn tweede zoon Willem (V, 34) is ten onrechte ingeschreven als
"zoon van WilIem Doorbroek en Janna Pastmans". Van hem Is overigens
niets bekend, behalve zijn geboortedatum 2 september 1787. Gerrit Jan’s derde
zoon Antony (V, 37) vestigde zich te Haaksbergen. Deze tak van het geslacht
Dorgelo komt in de volgende paragraaf aan de orde.
De
eerste zoon en vierde zoon, resp. Jan D. (V, 33) en Gerrit D. (V, 38), vestigden
zich beiden als vervener aan de Dedemsvaart, gem. Avereest.
Jan
D. huwde in 1814, toen hij te Deventer woonde, met Gerredina Kamerman. Uit dit
huwelijk zijn vier zoons bekend (VI, 19 t/m 22).
Gerrit
Jan D. (VI, 19), de oudste, geboren in het schoutambt Ommen, trouwde op
22-jarige leeftijd met Fennigjen (Jacobs) Kruger, arbeidster, geboren te
Veldhuizen (Bentheim). De bruid en haar ouders konden niet schrijven, aldus de
huwelijksaankondiging. Zij kregen niet minder dan elf kinderen (VI, 21 t/m 31),
van wie zes zoons.
De
eerste zoon Jan (VII, 21) ging in De Krim (bij Dedemsvaart) wonen en huwde met
Geertje Koop. Uit dit huwelijk is een zoon Jacobus D. bekend, geboren in 1896,
die schilder was te Hengelo (O.) en in 1921 trouwde.
Gerrit
Jans tweede zoon Jacobus D. (VIII, 22) overleed te De Krim reeds op 24-jarige
leeftijd (in 1865).
De
derde zoon Gerrit D. (VII, 23) huwde met Johanna Meyer uit Nijverdal en
overleed in 1879 op 36-jarige Ieeftijd. Nakomelingen van Jacobus en Gerrit zijn
mij niet bekend. Dit geldt eveneens voor de vierde zoon Gerhardus D. (VII, 24),
die op 31 -jarige leeftijd in 1876 te Nijverdal is gestorven. De vijfde zoon
Johannis (VII, 27) stierf op zeer jeugdige leeftijd te Dedemsvaart, terwijl
tenslotte ook de zesde zoon Johannis (VII, 31) in 1878 jong overleed (18 jaar).
De
tweede zoon van Jan D. (V, 33) was Mannes D. (VI, 20), die in 1843 trouwde met
Aleida Bruin Slot. Zij kregen zeven kinderen (VII, 32 t/m 38), onder wie
slechts één dochter.
De
oudste zoon Jan D. (VII, 32) was bakker te De Krim en gehuwd met Jentje
Horstra. Kinderen zijn mij niet bekend. Deze J. Dorgelo Mzn. was erevoorzitter
van de Bouwcommissie van de Ned. Hervormde Kerk te De Krim, waarvan de eerste
steen enkele maanden voor zijn dood in 1911 is gelegd.
Mannes’
tweede zoon was Johannes D. (VII, 33). Deze trouwde in 1880 met Nelligie
Steenbergen, die hem vier kinderen schonk (VII, 9 t/m 11), onder wie drie
zoons, nI. Willem (VIII, 9a, jong gestorven), Mannes (VIII, 10) en Johannes
(VIII, 11).
Eerstgenoemde
was winkelier te De Krim en huwde met Petronella Horstra in 1909. Uit dit
huwelijk zijn acht kinderen geboren, onder wie vier zoons (IX, 1 t/m 7).
De
oudste zoon Johannes (IX, 1) was bakker en trouwde in 1938 Jansje Konijnebelt.
Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren (X, 1 en 2), onder wie één zoon
Hermannes Johannes, geboren 30-12-1944. Op 15-11-1944 was zijn vader in het
concentratiekamp Neuengamme omgekomen. Hermannes Johannes heeft twee kinderen
(XI, 1 en 2), waarvan één zoon. De tweede zoon van Mannes D. (VIII, 10) heet
Egbertus (IX, 2), winkelier. Hij huwde in 1934 Gerritdina Konijnebelt. Uit dit
huwelijk is alleen een zoon Mannes (X, 3) bokend, geboren in 1935. Deze heeft
minstens één zoon (XI, 3).
De
derde zoon van Mannes D. (VIII, 10) was. Jacob (IX, 6), die blijkbaar zijn
vader is opgevolgd als winkelier te De Krim. Hij trouwde met Roelofje
Steen-bergen in 1947. Uit dit huwelijk zijn drie zoons geboren (X, 4 t/m 6).
Willem
(IX, 7) was de vierde zoon van Mannes (VIII, 10). Hij is van beroep
chefmonteur, huwde in 1947 Hendrika Brunink en na haar overlijden Alida
Trijntje Dorgelo (IX, 28) in 1953. Uit het eerste huwelijk zijn twee zoons (X,
7 en 8) uit het tweede huwelijk twee dochters en één zoon (X, 9 t/m 10)
geboren. Willem’s oudste zoon Hermannes Johannes is vader van één zoon (XI, 4).
De
tweede zoon van Johannes D. (VII, 33) naar wie wij nu terugkeren, was weer een
Johannes (VIII, 11), die zich te Antwerpen vestigde als technicus. Bij de Bell
Telefoonmij. Hij huwde in 1920 en had drie dochters
Eerdergenoemde
Mannes D. (VI, 20) had als derde zoon Gerrit (VII, 34) die te Hoogeveen woonde
en waarschijnlijk kinderloos overleed.
Mannes’
vierde zoon Pieter (VII, 85) was vervener en winkeliercaféhouder te Lutten (De
Krim). Hij had tien kinderen (VIII, 12 t/m 16), onder wie acht zoons. Vier
zoons zijn echter op jeugdige leeftijd overleden. Jan (VIII, 13), geboren in
1875; was te Vroomshoop bakker van beroep. Hij had twee dochters en overleed
in 1971 op 96-jarige leeftijd.
Jan’s jongere broer Albertus (VIII, 14), die niet ouder dan 31 jaar
werd, had vier kinderen (IX, 10c) o.w. drie zoons. De oudste was Pieter, die te
Enschede heeft gewoond en vijf kinderen had (X, 10a t/m 10e), o.w. twee zoons.
Van hen is de oudste wederom een Albertus (X, 10a), wonend te Almelo, die
behalve een dochter ook twee zoons heeft. Zijn broer Engbert Hendrik (X, 10c)
woont in Apeldoorn en heeft twee dochters. Albertus’ tweede zoon Engbert (IX,
10d) is in 1928 ongehuwd overleden. Zijn derde zoon Johannes Berendinus (IX,
10e) was belastingambtenaar, woont te Veendam en heeft een zoon Engbert (X,
10g), bouwkundige te Veendam die drie kinderen heeft (X, 10 t/m 12) o.w. twee
zoons.
De
derde zoon van Pieter (VII, 35) was Herman (VIII, 14a), boekhouder te
Vroomshoop. Hoewel tweemaal gehuwd, is hij in 1957 kinderloos overleden.
Pieter's vierde. zoon is wederom een Jan (VIII, 15), die eveneens bakker was
zoals zijn oudste broer. Hij is thans (1973) nog in leven en woont te Assen, 90
jaar oud. Zijn bakkerij is overgegaan op zijn oudste zoon Pieter (IX, 10g), die
zelf geen kinderen heeft. Jan’s tweede zoon Frederik (IX, 10h) was hoofd van
een school te Hilversum, en heeft vele gegevens verzameld over zijn grootvader
en diens nakomelingen. Frederik heeft twee dochters. Zijn jongere broer Berend
Jan (IX, 10j) heeft eveneens twee dochters.
Terugkerende
naar Mannes D. (VI, 20) komen wij bij zijn vijfde zoon. Hermannus (VlI, 36),
die ook vervener, meelhandelaar en winkelier was en in 1879 huwde met
Hillegonda Scholten. Uit dit huwelijk kwamen drie zoons voort, van wie één
korte tijd na de geboorte is overleden. De oudste zoon Hermannus Hendrikus
(VIII, 17) was predikant, o.a. te Naarden, waar hij in 1944 is overleden. Uit
zijn huwelijk met Johanna Beil zijn drie zoons geboren (IX, 11 t/m 13).
De
eerste zoon is Alexander, architect te Bussum, die veel werk heeft verricht
aan de samenstelling van het geslachtsregister en de stamboom van het geslacht
Dorgelo in NederIand: Uit zijn huwelijk met Martine Dirkzwager zijn twee
kinderen geboren, o.w. een zoon Maarten Arthur (X, 11), jurist.
De
tweede zoon van ds. H. H. Dorgelo is Henny Andreas (IX, 12), van beroep sales
manager op Curaçao. Hij heeft twee dochters.
Gerhardus
Hans (IX, 13), de derde zoon van de predikant, vestigde zich in Canada als
kinderarts. Hij heeft vier kinderen (X, 15 t/m 18), o.w. drie zoons.
De
tweede zoon van Hermannus D. (VII, 36) was Alexander (VIII, 18), die
onderwijzer was en in 1914 ongehuwd is overleden. Hermannus’ vierde zoon
Hendrik Berend (VIII, 19) was hoogleraar aan de Technische Hogeschool, achtereenvolgens
te DeIft en Eindhoven. Uit zijn huwelijk met Herna Plomp zijn zeven kinderen
geboren, ow. drie zoons. De oudste is Cornelis Hendrik (IX, 15), ingenieur bij
Shell, Van zijn twee kinderen (X, 19 en 20) is één zoon. De jongste zoon van
prof. H. B. Dorgelo is Herman (IX, 17) ingenleur bij Philips, die eveneens twee
kinderen heeft (X, 21 en 22). De tweede zoon Alexander Hendrik (IX, 18) van
prof. Dorgelo is sales manager. Hij heeft drie kinderen (X, 23 t/m 25), o.w.
een zoon Alexander.
Ten
slotte volgt als zesde zoon van Mannes 0. (VI. 20) nog Albertus (VII, 37) die
huwde met Aaltje Schutterop en in 1923 overleed. Hij had acht kinderen (VIII,
20 t/m 25), vier dochters en vier zoons, van wie één jongen op zeer jeugdige
leeftijd is gestorven. De eerste zoon Jacob (VIII, 22) was schoolhoofd te
Hengelo (GId.) en is tweemaal gehuwd, n.l. met Grietje van der Meer en M. B. H.
Jaeger. Hij had vijf kinderen (IX, 21 t/m 25), o.w. twee zoons. De eerste is op
jeugdige leeftijd overleden; de tweede is Tjeerd Hans (IX, 23), die houtvester
is op Tasmanie (Australie). Hij heeft vier kinderen (X, 25a t/m 25d), o.w. twee
zoons.
Albertus’
tweede zoon was Hermannus (VIII, 23), winkelier te Dedemsvaart, gehuwd met
Albertje Kooy. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren (IX, 26 t/m 29), van
wie twee zoons. Albertus (IX, 26) is banketbakker te Dedemsvaart. Uit zijn
huwelijk met Johanna van Keulen zijn vijf kinderen geboren (X, 26 t/m 30). Zijn
dochter Ada Gretha, studente te Amsterdam, heeft veel tljd besteed aan het
drukklaar maken van onze stamboom en geslachtsregister. Haar broer Herman (X,
28) is werkzaam in de zaak van zijn vader als banketbakker. Lubertus CX, 29)
studeert aan de pedagogische akademie te Meppel.
De
tweede zoon van Hermannus (VIII, 23) is Jan Herman (IX,27), predikant te
Oost-Souburg. Hij is gehuwd met Jeltje Jeanette van Hilten en heeft twee
dochters.
De
derde zoon van Albertus (VII, 37) was Gerrit (VIII, 24), evenals zijn oudste
broer hoofd van een Christelijke school, het laatst te Abbenes (gem. Haarlemmermeer).
Hij is tweemaal gehuwd geweest, eerst met Neeltje Andriessanna de Jong,
vervolgens met Grietje de Jong. Uit het eerste huwelijk is één zoon, uit het
tweede huwelijk twee zoons voortgekomen (IX, 29a t/m 29c). De jongste, Gerrit
(IX, 29c), heeft twee zoons (X, 32c en 32d). Met deze vermelding zijn wij aan
het einde gekomen van de beschrijving van de nakomelingen van Mannes (VI, 20),
zoon van Jan (V, 33).
Laatstgenoemde
had als derde zoon Lambertus Johannes (Jan), over wiens eventuele
afstammelingen niets bekend is (VI, 21). Dit is wel het geval t.a.v. de vierde
zoon van Jan D. (V, 33), n.l. Willem (VI, 22). Hij was schipper en later
winkelier en huwde in 1846 met Grietje van Blanken, dochter van een wijkmeester
bij het gesticht Ommerschans van de Maatschappij van Weldadigheid. Er werden
vIjf kinderen (VII, 39 t/m 43) geboren, waarvan drie zoons. Van de zoon
Johannes is alleen bekend, dat hiJ caféhouder was. De zoon Willem was bakker en
molenaar en huwde met Trijn Lutterhartje in Oud Schoonebeek. Deze Willem (VII,
42) kan dus ook de stamvader zijn van de huidige Dorgelo’s te Schoonebeek.
De
derde zoon van Willem (VI, 22), n.l. Lambertus Johannes (VII, 40), geboren
17-6-1852 te Lutten a/d Dedemsvaart, gem. Hardenberg, was evenals zijn vader
schipper. Hij huwde met de schippersdochter Hilligje Peggeman, die acht kinderen
kreeg (VIII, 26 t/m 33) w.o. vier zoons. Alleen van haar zoon Willem is iets
meer bekend. Hij is geboren te ZwoIle op 11-1-1891 en aannemer geworden te De
Krim. Uit zijn huwelijk met jantje Boetz uit Groningen is een zoon Lambertus
Johannes bekend, die naar Canada is geëmigreerd. Met hem zijn alle
nakomelingen
van Jan D. (V, 33) besproken, althans de mannelijke afstammelingen, voorzover
deze aan ons bekend zijn.
De
tak naar Raalte en Dedemsvaart is echter, zoals eerder opgemerkt, ten dele ook
gevormd door Jan’s jongere broer Gerrit (V, 38), de jongste zoon van Gerrit Jan
D. (IV, 20). Deze Gerrit vestigde zich ook als vervener aan de Dedemsvaart. Hij
huwde tweemaal. Uit zijn tweede huwelijk met Hillegonda Noordhuis zijn vier
zoons geboren (VI, 33 t/m 36), waarvan de tweede zeer jong is gestorven. De
derde zoon Gerrit (VI, 35), was veenbaas en bakker, de vierde zoon Willem,
geboren 23-5-1842, schipper en winkelier te De Krim. Zeer waarschijnlijk was
Wessel (VI, 33), hun oudste broer, geboren in 1830. Hij was bakker in ZwoIIe.
Van nakomelingen van deze drie broers is niets bekend.
Uit
het voorgaande is gebleken, dat de aanleg van de Dedemsvaart (1809— 1852) en de
vervening van het aangrenzende hoogveengebied ook een trekpleister vormden
voor enkele Dorgelo’s, van wie vele nakomelingen in deze streek hebben gewoond,
resp. thans nog wonen, o.a. als vervener, Iandbouwer, winkelier, bakker en
schipper. Het dorp Dedemsvaart Iigt in de gemeente Avereest, de veenkolonie De
Krim in de gemeenten Gramsbergen en Harden-berg, De Lutten in de gemeente
Hardenberg. In 1947 woonden in deze drie gemeenten resp. 5, 14 en 37
naamdragers Dorgelo.
Zoals
in het begin van het vorige hoofdstuk is opgemerkt, is op het boerderijtje bij
Den Vellener onder Raalte als derde zoon van Gerrit Jan D. (IV, 20), geboren
Antony D. (V, 37), die zich te Haaksbergen vestigde, nadat hij kommies bij de
Belastingdienst (Dienst der Invoerrechten) was geworden. Hij was de stamvader
van de z.g. Haaksbergense tak. In 1821 huwde hij Anna Elisabeth Kelder,
afkomstig uit Sibculo (gem. Den Ham). Aanvankelijk woonden zij in Den Ham, waar
hun eerste kind Willem Jan (VI, 23), is geboren. Waarschijnlijk was hij
schilder. Overigens is niets van hem bekend, behalve zijn geboortedatum.
In
totaal had Antony tien kinderen (VI, 23 t/m 32), van wie de overige negen te
Haaksbergen het Ievenslicht aanschouwden. Hieronder waren nog vier zoons.
Antony’s tweede zoon Alexander (VI, 28) was evenals zijn vader bij de Belastingdienst
werkzaam, achtereenvolgens te Enschede, Den Ham, Hardenberg, Glanerbrug en
Haaksbergen. Uit zijn tweede huwelijk met Aleida Flim zijn vijf kinderen
geboren (VII, 44 t/m 48), alle zoons.
De
oudste zoon, wederom Alexander, geboren te Enschede, was adjudant bij de
Koninklijke Landmacht, het laatst te Leeuwarden. Ult zijn huwelijk met Johanna
Zirschky zijn acht kinderen geboren (VIII, 33a t/m h), onder wie twee zoons,
waarvan de jongste op jeugdige leeftijd is overleden. De oudste zoon, eveneens
Alexander (VIII, 33b), was zoals zijn vader adjudant bij de K.L. te Leeuwarden.
Hij huwde Helena Catharina Suurmoyer en had twee zoons (IX, 29d en e). De
oudste zoon, opnieuw Alexander, is evenals zijn broer Josephus Bernardus
papierwarenfabrikant te Gouda. Eerstgenoemde heeft de druk van dit boekje
verzorgd. Hij is in 1932 gehuwd met Wilhelmina van der Vlis. Uit dit huwelijk
zijn drie zoons voortgekomen (X, 32e t/m g). De oudste zoon, Alexander, is
textielhandelaar te Gouda. De twee andere zoons, Jan en Hans, zijn werkzaam in
het bedrijf van hun vader. Jan heeft uit zijn huwelijk met G. de Vos een
dochter, terwijl Hans, gehuwd met A. de Rooy, de vader is van een zoon Alexander
(Xl, 14).
Terugkerend
naar Alexander (VI, 28) kunnen wij aannemen, dat zijn tweede zoon, Johan
Hendrik (VII, 45) jong is gestorven.
De
derde zoon van Alexander (VI, 28) heette Johannes Idarus (VII, 46); als derde
generatie was hij werkzaam bij de Belastingdienst. In 1887 huwde hij Geertruida
Willemina Teebes te Winterswijk, waar hij te Kotten als ambtenaar van de
lnvoerrechten werkte. Uit zijn huwelijk zijn zeven kinderen geboren (VIII, 34 tIm 40). Hiervan waren er vijf zoons. De
oudste, Alexander, was leraar tekenen te Deventer, Hij stierf kinderloos. De
tweede zoon van Johannes Idarus D. was Jan Derk (VIII, 36), leraar plant- en
dierkunde. Deze overleed in 1925 te Soerabaja en liet twee kinderen na, w.o.
één zoon Jan Derk (IX, 30b) schrijver van dit genealogisch overzicht,
landbouwkundig ingenieur te Oegstgeest; in het bezit van drie dochters.
De
derde zoon van Johannes Idarus (VII, 46) is Willem Frederik, ook leraar plant-
en dierkunde, te Alkmaar. Zijn zoon Alexander (IX, 31a), jurist, woont eveneens
in Alkmaar en heeft twee knderen, wo. zoon Alexander, De vierde zoon van
Johannes Idarus (VII, 46) heette wederom Johannes Idarus (VIII, 38) chef de
bureau te Den Haag. Hij had één zoon, ook Johannes Idarus D. (IX, 31 b),
directeur Siemens, te Wassenaar.
Ten
slotte was de vijfde zoon van Johannes Idarus (VII, 46), nI. Eduard Gerhardus
(VIII, 40),. ingenieur bij Philips. Hij heeft één zoon Jan (IX, 32) wonende in
Frankrijk en werkzaam als bioloog, en één dochter.
Terugkerende
naar de zevende generatie van deze tak noemen wij de vierde zoon van Alexander
(VI, 28), nI. Eduard (VII, 47), die op 22-jarige leeftijd is overleden in 1884.
De vijfde zoon van Alexander was Willem Frederik (VII, 48), hoofd ener school
resp. te Rekken en Leimuiden. Hij had vier kinderen, w.o. twee zoons (VIII, 41
t/m 44). Van beide zoons zijn ons alleen de namen bekend (wonende te
Amsterdam?).
Ten
slotte verdient nog vermelding, dat Antony (V, 37) nog drie andere zoons had
behalve Alexander (VI, 28) en Willem Jan (VI, 23). Zij waren resp. Isidorus
Theodorus (VI, 30), smid te Haaksbergen en ongehuwd gebleven, Gerhardus
Johannes (VI, 31), schrijnwerker te Nijverdal, en een zoon die jong is
overleden. Gerhardus had vier kinderen (VII, 48a t/m 48d), o.w. één zoon
Albertus Johannes, die schilder was te Ensohede. Uit zijn huwelijk zijn twee
zoons bekend (VIII, 44a en 44b). Gerhardus Albertus was meteropnemer bij de
gemeente Enschede. Zijn zoon Albertus Johannes Gerhardus is ingenieur en woont
te Putte (N-Br.).
De
laatste tak van de Dorgelo’s in Nederland, die wij thans gaan beschrijven, gaat
terug op de zesde zoon Gerrit D. (III, 21) van Gerrit Derks D. (II, 3), schoolmeester
te Ancum. Deze zesde zoon staat in het doopboek ingeschreven als
"Gerrijd", zoon van ,,Gerrijd Derks d'Orgelo, gedoopt 10-9-1730. Hij
huwde in 1754 met Janna Janssen Wachtevelds uit Ancum. Uit dit huwelijk zijn
acht kinderen geboren, w.o. drie tweelingen en zes zoons (IV, 22 t/m 26a). Uit
de naamgeving is af te leiden, dat de drie eerstgeboren zoons jong zIjn
overleden. De vierde zoon Jan (IV, 25a), landbouwer te Ancum, huwde zijn nicht
Grietje Dorgelo (IV, 18), zoals hiervoor reeds beschreven aan het einde van
par. c (Tak te Ancum en Heemee).
Van
de in 1766 geboren derde tweeling bestaande uit twee jongens (IV, 26 en 26a),
is Gerrit Jan gehuwd met Antonia van 't Hout. Uit dit huwelijk is alleen een
dochter bekend. Gerrit Jan’s tweelingbroer Gerardus (IV, 26a) is de stam vader
van de tak te Heino. Hij huwde in 1796 met Maria Engberts op 't Bartels in het
Lierderbroek onder Heino. Gerhardus was landbouwer op de boerderij ‘t Bartels.
Uit
dit huwelijk zijn zeven kinderen geboren (V, 39 t/m 45), van wie vijf zoons.
Eén jongen is korte tijd na de geboorte overleden. De oudste zoon Jan (V, 39)
huwde in 1825 te Zwolle met Gerrigje Holtrust, afkomstig ult Raalte. Uit dit
huwelijk zijn vier kinderen bekend, drie dochters en één zoon (VI, 37 t/m 40).
Het eerste kind, een dochter, is geboren te Heino, het tweede kind Jan te
Zwolle en de beide andere dochters te Emmen. Jan D. (VI, 38) is gehuwd met
Geertje Huisman; uit dit huwelijk is ons slechts één zoon Jan (VII, 49) bekend,
die geboren kan zijn in 1869 te Dalmsholte onder ZwolIe, later te Deventer en
in Duitsland kan hebben gewoond.
Terugkerend
naar de andere zoons van Gerhardus D. (IV, 26a) noemen wij vervolgens
Hermannes (V, 41), die in 1830 huwde met Margie van der Laan. Hij was
landbouwer te Wythmen, gemeente Zwollerkerspel. Uit zijn huwelijk zijn vljf kinderen
geboren (VI, 41 t/m 45), onder welke slechts één zoon Gerrit Jan, die op
tweejarige leeftIjd is overleden, zodat deze tak is uitgestorven. in ZwoIlerkerspel
woonden in 1947 twee naamdragers D., die derhalve van een andere tak moeten
afstammen.
Van
de vierde zoon Gerrit Jan (V, 43) van Gerardus D. (IV, 26a) is alleen de
geboortedatum (21-5-1804) bekend. Zijn verdere levensloop is door ons niet
achterhaald.
Ten
slotte de vijfde zoon Willem (V, 44), die aanvankelijk boerenknecht en later
landbouwer was. In 1834 is hij ingeschreven voor de Nationale Militie, maar hij
lootte vrij. In hetzelfde jaar huwde hij met Hendrika Hendriks uit Wijhe Uit
dit huwelijk zIjn vijf kinderen (VI, 46 t/m 50) geboren, vier zoons en één
dochter. De eerstgeboren zoon Echbert (VI, 46) is waarschijnlijk reeds op
zesjarige leeftijd to Emmen gestorven. De tweede zoon Hermannes (VI, 47) was
Iandbouwer te Heino in het Lierderbroek en huwde met Hendrikje Dekker; uit dit
huwelijk zijn acht kinderen geboren (VII, 49a t/m 56), onder wie slechts twee
zoons Gerhardus (VII, 50) en Hermannes (VII, 55), geboren 10-2-1885. Over hun
nakomelingen is ons niets bekend.
De
derde zoon van Willem D. (V, 44) was Gerhardus (VI, 48) die zich te Zwolte
vestigde als koetsier en later in Den Haag woonde. Hij had zeven kinderen, w.o.
vijf zoons (VII, 57 t/m 63). De oudste zoon Leonardus Hendricus (VIII, 57) had
drie kinderen (VIII, 45 t/m 47), aIle drie zoons. Dezen leven waarschijnlijk
nog; ons zijn alleen de namen bekend. De volgende zoon (VIl, 58) van Gerhardus
droeg de naam van zijn vader. Uit zijn huwelijk zIjn drie kinderen geboren
(VIII, 48 t/m 50), onder wie twee zoons. De derde zoon van Gerhardus (VI, 48)
was Johan Jozef (VII, 60), uit wiens huwelijk twee kinderen zijn geboren (VIII,
51 en 52), beide meisjes. De vierde zoon van Gerhardus was Hendrik (VII, 61),
geboren 10-2-1880 te Den Haag, later wonende te Vorst in België (Brabant). Hij
is overleden in 1961 zonder nakomelingen. Ten slotte was Herman (VII, 63) de
vljfde zoon van Gerhardus D. (VI, 48). Uit zijn huwelijk is een dochter bekend,
Johanna Christina (VIII, 53), geboren te Den Haag, thans wonende in Amstelveen
en werkzaam als directiesecretaresse bij de K.L.M.
Terugkerende
naar de vierde zoon van Willem D. (V, 44), namelijk Egbert (VI, 50), geboren in
1843, kunnen wij vaststellen, dat hij op de ouderlijke boerderij 't Bartels te
Heino is blijven wonen. Als landbouwer huwde hij met Harmina Laarbroek. Dit
huwelijk bracht vier kinderen voort (VIl, 64 t/m 67), w.o. twee zoons, t.w.
Theunis (VII, 65), geboren 15-9-1875 en Jan (VII, 67), geboren in 1883,
eveneens op 't Bartels. Uit het huwelijk van Iaatstgenoemde zijn twee zoons
geboren, Egbert en Hermannes (VIII, 54 en 55), die enige jaren geleden nog
Iandbouwers waren te Heino.
In
deze studie betreffende de genealogische geschiederns van de familie Dorgelo 8 eerst
aandacht besteed aan de betekenis van de naam. Deze is afgeleid van de
plaatsnaam Dorrieloh (tegenwoordige spelling), de naam van een overwegend
agrarisch dorpje en van de gelijknamige Landgemeinde in de Grafschaft Diepholz
in Nedersaksen, ten zuiden van Bremen (± 60 km) en enige km ten zuiden. van
Bundesstrasse 32 Diepholz-Sulingen. De plaatsnaam is volgens Duitse bronnen
afgeleid van de voornaam Dorrie en het achtervoegsel -loh (bee) en betekent
derhalve: houtgewas van Dorrie.
De
familienaam Dorgelo, Von Dorgelo, Von Doringelo, Doringlo, Dorgeloh komt in de
Duitse. geschreven bronnen voor de eerste maal voor in 1381 in de vorm van Von
Doringelo Het betreft hier een lid van een landedelijk geslacht met het
stamgoed in het dorp Dörrieloh (thans een grote boerderij). In de ioop der
eeuwen heeft dit geslacht zich vrij sterk uitgebreid in noord- en
zuidwestelijke richting. Het bezat goederen in het groothertogdom Oldenburg,
het nederstift Münster en het vorstendom Osnabrück. Leden van deze Rooms
Katholiek gebleven familie vervulden verscheidene vrij hoge ambten bij het
openbaar bestuur en in de R.K. kerk.tot in de 19de eeuw.
Na
de kerkhervorming verkocht de Iaatste R.K. leenman Von Dorgelo het stamgoed te
Dörrieloh ornstreeks 1578. Het graatschap Diepholz was toen reeds geruime tijd
Evangelisch.
in
het erfregister van 1585 van het ambt Syke in het graafschap Hoya ten zuiden
van Bremen komt voor de eerste rnaal de burgerlijke familienaam Dörgelohe voor
als achternaam van een landbouwer op een vrij groot bedrijf te Dreye (in de
huidige gemeente Kirchweyhe) aan de Weser.
Nadat
in de hoofdstukken II en III de genealogisohe geschiedenis van de R.K. tak in
Duitsland is beschreven, bevat het volgende hoofdstuk alle gegevens, die wij
uit Duitse bronnen konden verzamelen over. de Evangelische tak. Op grond van
een aantal argumenten is aangetoond, dat een genealogisch verband tussen beide
takken zeer waarschijnlijk is.
Een
nakorneling van de landbouwersfamilie te Dreye vestigde zich in de l7de eeuw te
Bremen. Zijn jongste zoon Dierich Dorgeloh is geëmigreerd naar de Nederlanden
en komt in 1679 voor het eerst voor in het lidmatenboek van de Nederlandse
Hervormde Kerk van Dalfsen (Ov.) als "Dirck Durgerlo van Bremen,
schoolmeester te Ancum”. Hij was de stamvader van de latere Dorgelo’s in
Nederland.
Het
laatste hoofdstuk bevat de genealogie van alle ons bekende mannelijke
naamdragers Dorgelo vanaf de 17 de tot de 19 de of 20e eeuw. Op grond van de
(toenmalige) concentratiegebiederi is onderscheid gemaakt tussen de volgende
takken:
a. naar Grafhorst-Kampen (nog bestaand);
te Dalfsen, Borne
en Zwolle (in laatstgenoemde gemeente nog bestaand);
b.
te
Ancum en Heemse (gem. Hardenberg) (mogelijk nog bestaand te Dalfsen; in ieder
geval vele nakomelingen in Hardenberg en enkele te Amsterdam);
c.
te
Ancum (uitgestorven);
e. via Raalte naar Dedemsvaart (gem.
Avereest) (nog bestaand o.a. te Dedemsvaart, De Krim, gemeenten Gramsbergen en
Hardenberg, Assen, Den Ham, Schoonebeek en in het westen des lands);
f. via Raalte naar Haaksbergen (nog
bestaand o.a. te Enschede en in het westen van het land);
g. naar Heino (nog bestaand aldaar; ook
nakomelingen in het westen).
De
genealogisohe geschiedenis van de familie Dorgelo in Nederland bevat, zoals uit
de tekst blijkt, op een aantal punten lacunes en mogelijke onjuistheden. Wij
zullen dan ook gaarne van al dan niet verre naamgenoten aanvullingen en/of
verbeteringen ontvangen.
[1]
B. H. Slicher van Bath, Nederzettingen in de Graafschap Zutphen, in: Herschreven
historie, blz. 121, 130, 131.
[2]
Gegevens verschaft door het Gemeentebestuur van Dorrieloh.
[3]
C. H. Nieberding, Oldenburgisch – Münsterliche Geschlechtschreibung
[4]
Een uitvoerige beschrijving van de Von Dorgelo’s geeft Gustav Nutzhorn in zijn
artikel “Zur Geschichte der Familie von Dorgelo” in: Oldenburgische
Famlilienkunde, jrg. 11 no. 2, juni 1969. Commentaren hierop in hetzelfde
tidschrift, jrg. 12 no. 4, dec. 1970, en jrg. 13 no. 2, april 1971.
[5]
Nieberding II, bbz. 879.
[6]
R. von Bruch, Die Rittersitze des Fürstentums Osnabrück, Osnabrück 1930, blz.
347, 351, 352 en 361.
[7]
E. Friedländer, Ostfriesisches Urkundenbuch, 787—1809, blz. 959—969.
[8]
Overgenomen uit: Nieberding II, blz. 298 e.v.
[9]
M. von Spiessen, Genealogischo Sammlung, Bd. 10, Staatsarchief Münster.
Diederich is ook genoemd door Nutzhorn (zie noot 4) als lid van de tak Von
Doreelo zu Welpe. Gezien hun relaties met het Evangelische Diepholz kan men
aannemen, dat deze tak Evangelisch is geworden.
[10]
Landscaftliche Martrikular-Akten Hoya.
[11]
Volgens
Von Spiesson vijftien kinderen.
[12]
De genealogische gegevens van de familie Von Dorgelo te Höven zijn ontleend aan
het kerkelijk archief te Wardenburg.
[13]
Aangehaald door M. von Spiessen, Wappenbuch des westfälischen Adels, dl. II,
Tafel 100, Görlitz 1901-1903, aanwezig o.a. in Staatsarchief Münster.
[14]
Deze en volgende gegevens zIJn ontleend aan: W. Schacht, Heimatbuch der
Gemeinde Kirchweyhe, 1961.
[15]
Thans in het Nedersaksische Staatsarchief, Hannover.
[16]
De registers van de bezittingen en inkomsten van het Domkapittel te Bremen zijn
grotendeels vernietigd tijdens luchtaanvallen in de Tweede Wereldoorlog. De
resterende archivalia, berustend in het Nedersaksische Staatsarchief te Stade,
noemen weliswaar twee meierboerderijen te Dreye, maar vermelden niets over de
meiers zelf.
[17]
Resp. no. 8 en 9 in: Regesten der Pergament- und Papierurkunden im Stadtarchiv
Diepholz. Het betreft hier twee notariele koopakten.
[18]
Gegevens verschaft door het Rijksarchief voor Overijssel te Zwolle. Hoe-wel
volgens inlichtingen van het Rijksarchief voor Drenthe in de rechterlijke
archieven van Groningen, IIIa, 46 (Gemeente-archief Groningen) een uitspraak
voorkomt van de burgemeester en de raad van Groningen d.d. 14 december 1649
betreffende een geschil tussen Hinricus Dorgeloo en de weduwe van Hindrick
Dercks (gedaagde), heb ik geen genealogisch verband kunnen vaststellen tussen
deze Hinricus D. en Dirck D. Wellicht was eerstgenoemde de in het vorige
hoofdstuk vermelde Hinrich te Bremen en Weye.
[19]
Naamregister predikanten Nederduits Gereformeerde Gemeente van Waverveer),
1592—1795, nr. 3.
[20]
Register van predikanton, ouderlingen en diaconen, idom, 1592—1745.
[21]
Melchior Veeris, Kerkelijk alphabeth, blz. 43, Amsterdam 1711.
[22]
Th. 0. Achelis en A. Börtzler, Die Matrikel des Gymnasiums Illustre zu Bremen,
1610—1810, in: Bremisches Jahrbuch, tweede reeks, dl. III, Bremen 1968.
[23]
Registers inwoners Grafhorst 1 744—’48.
[24]
Bron: Nederlands Repertorium van Familienamen, dl. VI (Overijssel), Commissie
voor Naamkunde van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, Amsterdam 1968.
[25]
Joh. Theunisz, Overijssel in 1795, uitg. 1943, blz. 174.
Dalfsen begraven. Hij liet zijn vrouw en
een kind echter, nl. een zoon Gerrit (V, 15), die toen 20 jaar was.
Volgens de desbetreffende registers is
Gerrit D. in 1822 vrijgeloot voor de militaire dienst. Van beroep was hij
kuiper to Dalfsen. In hetzelfde jaar huwde hij met Hendrikje Mensink, naaister
aldaar Zijn werkgever, de kuiper Antoni Korbach, trad op als getuige.
Uit Gerrit’s huwelijk zijn vijf kinderen
geboren, w.o. een zoon Willem Hendrik (VI, 4), die echter, evenals drie van
Gerrit’s dochtertjes, op zeer jeugdige leeftijd stierf. Met het overlijden van
Gerrit (datum mij onbekend) is derhalve deze tak van de DorgeIo's te Dalfsen
uitgestorven in de mannelijke lijn.
[26]
Aanwezig in het Rijksarchief voor Overijssel; blz. 99.
[27]
F. A. Hoefer, Geschiedenis van Dalfsen en omgeving, 1912.
[28]
Joh. Theunisz. tap., blz. 83, 86, 132 e.v. Korte tijd voor het ter perse gaan
van deze kopij ontving ik gegevens over de nakomelingen van Evert Jan (VII,
13). In stamboom en geslachtsregister zijn zij vermeld onder de nrs. VIII, 6a t/m 6e, IX, a t/m e, X, a t/m h en XI, a t/m c.